DE ONNODIGE
BOERENOORLOG

Afrikaners en die
diaspora-verskynsel

OOR KAAPSE
LANDBOUERS
 EN SEISOENE

Jan van Riebeeck se Daghregister


 

DE ONNODIGE BOERENOORLOG

Math Verstegen

E-post: math07@kabelfoon.nl

 

INLEIDEND

DEEL I

Ruim een eeuw geleden woedde in Zuid-Afrika een oorlog tussen afstammelingen van Nederlandse emigranten en het Britse leger. Groot-Brittannië was toen de grootste koloniale mogendheid maar wilde steeds meer landen aan zijn imperium toevoegen. Om heel Zuid-Afrika in zijn macht te krijgen moesten twee kleine Boerenrepublieken veroverd worden. Dat gebeure in een oorlog die van 1899 tot 1902 duurde. In dit boek worden de eerste maanden van deze, door een hedendaagse Brit ‘onnodig en smerig’ genoemde, oorlog beschreven. In die maanden profiteerden Transvaal en Oranje Vrijstaat van hun toen nog numerieke overwicht, waardoor zij in staat waren grote delen van de Kaapkolonie en Natal te bezetten. Van de bloedige veldslagen die daarbij werden geleverd zijn uitvoerige beschrijvingen met bijbehorende kaarten in deze rijk geïllustreerde uitgave opgenomen.

DEEL II

De verrassingsaanval van de Boeren is na een paar maanden vastgelopen. De poging om te verhinderen dat Britse versterkingen worden aangevoerd is mislukt. Weliswaar slagen de eerste Britse eenheden er nog niet in om de Boeren uit Natal en de Kaapkolonie te verdrijven, maar zodra meer dan tien divisies zijn aangekomen walst het Britse leger over de Boerenstellingen heen.

Daarmee is de oorlog echter nog niet afgelopen want er begint een jarenlange guerillastrijd waarin Britten én Boeren grote verliezen lijden. De meeste doden vallen echter in de concentratiekampen ten gevolge van honger en ziektes. Hier zijn vrouwen met hun kinderen en het zwarte personeel ondergebracht; zij waren verdreven uit hun door de Britten verbrande boerderijen.

In dit tweede deel word hier onder meer aandacht aan besteed, evenals aan de rol die Nederland in dit conflict heeft gespeeld. Uit documenten uit het Koninklijk Huisarchief blijkt de belangstelling van Wilhelmina voor deze oorlog van haar stamverwanten met de onderdanen van haar tante, koningin Victoria.

In zijn nabeschouwing vraag de schrijver zich af of de Britse regering ooit aan dit koloniale avontuur zou zijn begonnen als zij geweten had welke hoge prijs zij voor het bemachtigen van de twee kleine Boerenrepublieken moest betalen: 8.000 gesneuvelden en meer dan 66.000 militairen die als invaliden naar huis terugkeerden. Het kostte de Britse belastingbetaler niet minder dan 210 miljoen Engelse ponden.

 

Hoofdstuk 15

DE CONCENTRATIEKAMPEN

Begin maart 1901 besluit Kitchener de oorlogsimpasse te doorbreken door systematisch de Boerencommando’s op te jagen en elke week zovelen van hen uit te schakelen dat hun aanvallen vanzelf verminderen. Daarnaast wil hij hun ondersteuningsgebied ontdoen van alles dat hen kan helpen: paarden, koeien, schapen, vrouwen en kinderen. Ook zijn tegenstanders passen die methode toe want het is de gewoonte van Botha, Smuts en De la Rey om de Boeren die zich overgeven te straffen door hen en hun gezinnen uit hun boerderijen te verdrijven. De consequentie van die ontvolking van het platteland is wel dat voor de opvang van al die mensen langs de spoorlijnen kampen ingericht moeten worden. Hoe dat moet gebeuren laat Kitchener voor Transvaal over aan generaal-majoor John Maxwell en voor de voormalige Vrijstaat aan kolonel Adams, die zich voor de inrichting van de kampen dienen te wenden tot Milner. Verder bemoeit hij zich er niet mee. Dat de beide officieren er een janboel van maken interesseert hem blijkbaar ook niet.

Hoewel al sinds mei 1900 boerderijen worden platgebrand, wordt pas in september begonnen met het inrichten van kampen in Bloemfontein en Pretoria. Dat de poging van Roberts om de bewoners ervan aan Botha te slijten mislukte, hebben we al gezien. Het schijnt hier te zijn gegaan om een proef voor 2500 vrouwen en kinderen. Na het vertrek van Roberts pakt Kitchener het probleem veel voortvarender aan. Dat is ook wel nodig want de aantallen vrouwen en kinderen van de verbrande boerderijen lopen geweldig op nadat Kitchener heeft besloten om het hele platteland van de beide landen volledig te ontdoen van alles dat de guerilla’s zou kunnen helpen. Paarden en koeien worden doodgeschoten en vrouwen en kinderen uit hun huizen gezet, die in brand gestoken worden. Voor hen worden niet minder dan 40 ‘vluchtelingenkampen’ opgezet. Ook voor de Afrikaanse ‘vluchtelingen’, meestal personeel van de blanke eigenaren van de boerderijen. Maar die mogen niet in de kampen voor de blanken. Dus komen er aparte ‘zwarte’ kampen, waarin de toestanden even ten hemel schreiend zijn als in die van hun voormalige meesteressen. Die toestanden zijn niet toevallig. De kampen worden beheerd door burgers. Voor elk van de 24 kampen komt één beheerder, één arts en een paar verpleegsters. Misschien zou dat niet tot zulke dramatische toestanden hebben geleid als de mensen erin goed te eten hadden gekregen. Maar er wordt een twee-rantsoenensysteem ingevoerd. De vrouwen en kinderen, van wie de man en vader ‘op commando’ is, krijgen geen vlees. Daarnaast zijn de rantsoenen erg laag en wordt geen verse groente verstrekt en evenmin verse melk. Dit is de belangrijkste reden dat er zoveel jonge kinderen en babies sterven. Zelfs nadat de rantsoenen wat zijn verhoogd zijn het (Engelse) pond meel en het halve pond vlees per dag niet in staat ziekten onder de opeengepakte geïnterneerden te voorkomen.

 

Kinderen sterven bij duizenden door ondervoeding.

In maart 1901 bereiken de eerste berichten over de toestand in de kampen London. Als de staatssecretaris van Oorlog, sir John Brodrick, om inlichtingen erover vraagt krijgt hij een geruststellend telegram van Kitchener: ‘De bewoners zijn happy en de kampen, die nog niet zo goed zijn als zou moeten, zullen op korte termijn verbeterd worden’. Maar de staatssecretaris laat zich daarmee niet afschepen. In een brief legt hij Kitchener uit dat er verontrustende rapporten zijn binnengekomen over het kamp in Bloemfontein: onvoldoende water en melk, aanwezigheid van tyfusgevallen, zieke kinderen, geen zeep, geen voer voor koeien en onvoldoende medische zorg. Die berichten over de toestanden in de kampen in Zuid-Afrika komen van Emily Hobhouse. In februari heeft ze op voorspraak van Milner een bezoek aan de kampen kunnen brengen. Maar als haar rapporten daarover verschijnen krijgt hij er spijt van als haren op zijn hoofd, dat hij haar heeft geholpen. Zo bereiken hem talloze protesten van regeringsgetrouwe dames die haar voor een Boerenaanhangster uitmaken, maar haar verhalen over de kampen maken indruk in Engeland. Meer dan 60.000 mannen, vrouwen en kinderen zitten al opgesloten in Kitcheners concentratiekampen. En hoe! Allang wordt er gewacht op voldoende doktoren, verzorgsters en hulpkrachten; op kleren en dekens; op medicijnen en gewatteerde dekens voor de winter. Geen wonder dat er epidemieën uitbreken die zich met een verschrikkelijke snelheid uitbreiden.

 

Twee vrouwen en zeven kinderen in één tent.

De vrijgezellin uit Cornwall wordt begin juni op het ministerie van Oorlog ontvangen door Brodrick, maar die verplicht zich tot niets. Dan gaat Emily naar de leider van de liberalen, Sir Henry Campbell-Bannerman. Die luistert met verbijstering naar de gruwelverhalen van zijn bezoekster en kan een methods of barbarism niet onderdrukken. Diezelfde term gebruikt deze leider van de liberale oppositie als hij op 14 juni 1901 een vergadering van de Nationa1 Reform Union toespreekt. Hij moet als politiek leider van de liberalen, die verdeeld zijn in pro- en contra-Boer-vleugels, de eenheid zien te bewaren en kan in het Lagerhuis daarom geen aanval op de regering openen. Die taak wordt overgenomen door de jonge Welshman David Lloyd George, die tot de linkervleugel van de liberalen behoort. Ook twee radicale lagerhuisleden, C.P. Scott en John Ellis vallen de regering aan over de toestanden in wat zij als eerste Britten ‘concentratiekampen’ durven te noemen. Het is Ellis, die een familielid uit Zuid-Afrika vraagt om hem te rapporteren over de toestanden in die kampen. Maar Kitchener weigert hem toe te laten en Brodrick houdt in het Lagerhuis vol dat de bewoners van de kampen daar op vrijwillige basis als vluchtelingen zitten. Ellis heeft, net zo min als Lloyd George, voldoende informatie over de kampen. In april krijgt het Lagerhuis wel gegevens over de aantallen mensen daarin: in Transvaal 21.105, in de Orange River Colony 19.680 en in Natal 2,524. Het aantal doden in Transvaal bedraagt 284 en in de O.R.C. 382.

 

Emily Hobhouse

Hoe weinig de politiek verantwoordelijke bewindsman werkelijk weet over de situatie in de kampen blijkt wel uit zijn mededeling dat het goed geleide vluchtelingenkampen zijn, die er alleen toe moeten dienen om de Boeren te verleiden zich over te geven. Als Lloyd George en Ellis dit complete onzin noemen, verandert Brodrick zijn verdediging. Hij geeft nu toe dat de kampen zowel een militaire als morele noodzaak zijn en dat er aanvankelijk wel wat problemen zijn geweest, maar dat nu alles wordt gedaan om die op te lossen. Het is niet de ‘onafhankelijke’ Britse pers, die de waarheid naar boven brengt. Een correspondent van de Times kabelt op 16 juni in een lang verslag vanuit Bloemfontein dat het dodenaantal in het kamp bij Bloemfontein snel daalt. Emily Hobhouse kan die leugen ontzenuwen want zij is zelf in dit kamp geweest en heeft geconstateerd dat de meest elementaire voorzieningen ontbreken. De tenten zijn veel te klein voor de acht tot twaalf mensen die erin moeten wonen en de lucht daarin is ondraaglijk. Er is geen zeep, haast geen brandstof, bedden of matrassen ontbreken en de rantsoenen zijn net te groot om niet van honger te sterven.

Na Bloemfontein bezoekt Emily nog de helft van de andere kampen in de voormalige Vrijstaat en treft overal dezelfde toestanden aan. Vanuit de trein ziet zij dat honderden vrouwen en kinderen in open wagons, soms blootgesteld aan ijskoude regen, naar de kampen vervoerd worden. Soms moeten zij dagenlang zonder eten of drinken bij een station wachten op verder vervoer. Het is het resultaat van de nieuwe operatie van de troepen van Kitchener om het ‘veldt’ schoon te vegen. Dit is nog veel erger om te zien dan de toestanden in de kampen waar teminste nog een zekere orde heerst. Dit is een oorlog in al its destructivenes,  cruelty, stupidity and nakedness. Zo wordt dat, wat zij ziet, omschreven in het boek dat pas in 1929 over haar verschijnt.

In april is zij weer in het kamp van Bloemfontein en moet dan tot haar ontzetting constateren dat door de verdubbeling van het aantal bewoners de toestanden er nog erger zijn dan toen zij er in januari was. Het aantal sterfgevallen is dan ook nog groter. Elke dag moeten 20 tot 25 doden worden weggebracht. ‘Sinds de pest in de Middeleeuwen is dat niet meer voorgekomen’, zegt ze. Ze heeft nu genoeg gezien en wil zo gauw mogelijk naar Engeland om haar landgenoten in te lichten. In een rapport dat ze aan de leden van het Lagerhuis stuurt en dat al eind juni 1901 gepubliceerd wordt, meldt ze haar bevindingen. Lloyd George wil daarover een debat in het Lagerhuis. Voordat dit gehouden wordt moet Broderick in het vragenuurtje al toegeven dat er veel meer blanken en zwarten de kampen bevolken, om precies te zijn 63.127. Zijn dodencijfer maakt nog veel meer indruk. In mei zijn alleen al in de Transvaalse kampen 39 mannen, 47 vrouwen en 250 kinderen gestorven. Maar cijfers voor de drie andere kolonies zijn nog niet beschikbaar, beweert hij. De 336 mei-doden in Transvaal betekent een sterftecijfer van 12% en dat is heel wat hoger dan het cijfer (5%) tijdens de tyfusepidemie in Bloemfontein.

 

Vrouwen en kinderen in open kolenwagons op weg naar een concentratiekamp.

 

Abraham Carel Wessels in het concentratiekamp in Bloemfontein.

Lloyd George gaat in het Lagerhuis ongemeen fel tekeer. Hij beschuldigt de militaire autoriteiten in Zuid-Afrika ervan, dat zij willens en wetens een uitroeiingspolitiek tegen de vrouwen en kinderen voeren. Why make war against women and children? zo vraagt hij. De mannen zijn toch hun vijanden. Hij zegt opzettelijk niet ‘onze vijanden’, maar bedoelt met ‘hun’ duidelijk de generaals in Zuid-Afrika, die tegen elke regel van ‘beschaafde oorlogvoering’ in handelen. We want to make loyal British subjects of these people. Is this the way to do it? zo vraagt hij de regering.

Dan durft ook de liberale leider, Campbell-Bannerman, het kabinet aan te vallen. Hij heeft maar één woord voor het systeem, dat het leger hanteert: ‘barbarous’. Brodrick blijft hardnekkig Kitchener c.s. verdedigen want, zoals hij zegt, de guerillas hebben hem zelf gedwongen om het hele land schoon te vegen en hielpen sommige vrouwen de vijand en zijn anderen door hun mannen verlaten. None of them could be simply left on the veld to starve, zo verdedigt hij de methoden van Kitchener. En dat er niet genoeg gedaan is om de kampen hygiënisch genoeg te maken, ontkent hij ook al. De meerderheid in het Lagerhuis accepteert dat en een motie van Lloyd George wordt met 252 tegen 149 stemmen verworpen, waarbij de Limps zich van stemming onthouden.

In augustus 1901 blijkt dat de vrees van Emily Hobhouse bewaarheid wordt. De cijfers die dan eindelijk loskomen geven aan dat het steeds erger wordt. Er zijn al 93.940 blanken en 24.457 zwarten in wat nog steeds vluchtelingenkampen worden genoemd. Ook het dodencijfer loopt schrikbarend op: in mei geen 336 maar 550, in juni 782 en in juli 1675! Op dezelfde dag dat ze bekend worden gaat het parlement voor vijf maanden met reces, en niemand valt Brodrick nog lastig met vragen. Er is echter een belangrijk man die ook fel gekant is tegen deze methode van Kitchener. Lord Milner is eind mei naar London afgereisd en probeert het kabinet ervan te overtuigen, dat zijn eigen methode om de oorlog te winnen de voorkeur verdient boven die van Kitchener. Hij weet het kabinet ervan te overtuigen dat de politiek van de bevelhebber in Zuid-Afrika erger dan misdadig is. Hij noemt die ook een blunder omdat hij er niets mee bereikt, zeker geen sneller einde van de oorlog. Het kabinet, waarin Chamberlain de voorstellen voor een nieuwe politiek van harte steunt, gaat om. De nieuwe politiek, die eind juni wordt bedacht, is in feite gebaseerd op Milners gedachte om districtsgewijs de twee nieuwe kolonies te pacificeren en niet met geweld het verzet erin te breken. Kitchener wordt daartoe niet direct gedwongen.

Op 2 juli krijgt hij een lang telegram, waarin hem wordt gezegd dat als hij de oorlog niet voor het einde van de winter daar, dus in september, kan beëindigen, hij de nieuwe politiek moet gaan volgen. Dat is niet alleen een politiek van localizing the war, maar ook een protection policy. Met name de goudindustrie in de Witwatersrand moet weer op volle toeren gaan draaien en ook andere delen van het land, die economisch van belang zijn, moeten beschermd worden. Vanuit die beschermde streken kan het land eromheen dan ook geleidelijk tot vrede gebracht worden. Kitchener krijgt ook te horen dat het leger daar met 110.000 man verminderd kan worden, want het kost de Britse schatkist al geruime tijd 1,25 miljoen pond per week.

De reactie van Kitchener is geen negatieve. Hij praat niet over de nieuwe politiek maar discuteert wekenlang over de (on)mogelijkheid om zijn leger in te krimpen. Hij heeft het kwart miljoen soldaten nodig voor zijn mobiele kolonnes om grote aantallen Boeren te doden, gevangen te nemen of zich te laten overgeven. En hij moet zorgen dat zij geen versterkingen krijgen, vooral niet van Afrikaners uit de Kaap. Eind juni 1901 komt dan het bericht dat de vredespogingen van Kitchener zijn mislukt. De kans op een einde van de oorlog op korte termijn is nu verkeken en dus is er alle reden de nieuwe politiek te gaan uitproberen. Voor Kitchener is vooral de houding van president Steyn, die per se wil doorvechten, een argument om aan te tonen hoe gevaarlijk het is om van zijn ‘schoonmaak’-methode af te stappen. Ook de noodzaak om de Kaapkolonie van de invasielegertjes van Kritzinger en Hertzog te ontdoen gebruikt hij als argument tegen de verkleining van zijn leger. Hij komt met een heel nieuw idee: lage straffen voor de Kaapse ‘rebellen’ die zich vrijwillig overgeven, maar handhaving van de doodstraf voor de gevangengenomen gewapende ‘rebellen’ en een zachtaardige behandeling van burghers, die zich vrijwillig overgeven. Als ze dat niet doen dienen ze eerst een boete te krijgen, waarna hun bezittingen verbeurd verklaard worden. De Boerenleiders ten slotte dienen verbannen te worden. Het Britse kabinet laat zich op die manier helemaal in de verdediging drukken. Wel houdt het de meest wilde plannen van Kitchener tegen. Zo gaat het deporteren van vrouwen en kinderen naar de krijgsgevangenkampen in het buitenland, waar hun mannen en vaders zitten, niet door. Ook een alternatief daarvoor, het verkopen van alle bezittingen van de commando’s om met de opbrengst daarvan de concentratiekampen te betalen, wordt afgeketst. De regering protesteert met name tegen het feit dat de bevolking van Dordrecht gedwongen is om toe te zien hoe generaal French Kaapse rebellen executeert. Het kabinet waarschuwt de Boeren wel in een bekendmaking dat zij na 15 september zwaardere maatregelen kunnen verwachten. Als dat geen effect heeft zal het kabinet geen troepen uit Zuid-Afrika terugtrekken. Dat heeft natuurlijk wel tot gevolg dat het parlement extra geld voor de oorlog beschikbaar zal moeten stellen.

Om terug te keren naar de concentratiekampen. Er wordt in London eindelijk iets gedaan om de toestanden daarin te laten onderzoeken. Een commissie bestaande uit louter vrouwen, bezoekt de concentratiekampen. Deze ‘Fawcett Commission’ gaat ervan uit dat de oorlog voor de burgers nu eenmaal bepaalde onprettige gevolgen heeft. Op 18 september hebben de dames zeven van de kampen in de Orange River Colony bezocht, maar hun bevindingen verschillen wel wat van die van Emily Hobhouse. Zo zien ze dat er tennis in de kampen wordt gespeeld! In december 1901 overhandigt Mrs. Millicent Fawcett, de voorzitter, het rapport. Daarin wordt een tiental aanbevelingen gedaan, waarvan de belangrijkste zijn het onmiddellijk sturen van 40 ervaren verpleegsters, het verhogen van de rantsoenen met anderhalf pond rijst per dag, verstrekking van hout voor bedden zodat de geïnterneerden niet meer op de grond hoeven te slapen. Ook apparatuur om linnengoed van tyfuspatiënten te steriliseren, waterkokers en groenten dienen er te komen. In het algemeen constateert de commissie dat de rantsoenen te laag en veel te weinig gevarieerd zijn. Er wordt wel geconstateerd dat er een duidelijk verschil bestaat tussen de kampen, maar dat slaat alleen op die voor de blanken. Opvallend is dat de vrouwen niet één van de 31 kampen voor Afrikanen in de O.R.C. bezoeken.

Vooral van de toestand in het hospitaal van Bloemfontein schrikt de commissie. Er is niet eens sterilisatieapparatuur voor het besmette linnengoed van tyfuspatiënten en in Brandfort hoort zij dat er in de eerste drie weken van oktober 337 doden zijn gevallen. De meeste kritiek gaat echter uit naar het smerige kamp in Mafeking, waar de vrouwen kleren moeten wassen in met uitwerpselen bevuild water. Vooral de staf van dit kamp krijgt er in het rapport van langs. De sterftecijfers in dit rapport zijn ook veel hoger dan die eerder van overheidswege bekendgemaakt zijn. In augustus 1901 zijn 1878 van de 105.347 blanke ‘vluchtelingen’ en 467 van de 32.272 gekleurden gestorven; in september zijn dat er 2411 van het tot 109.418 aangegroeide aantal geïnterneerde blanken en ongeveer 600 van de 38.549 Afrikanen en oktober spant de verdrietige kroon met 3156 van de 111.619 blanken en 698 van de 43.780 niet-blanken.

 

Concentratiekamp in Krugersdorp.

 

Beroofd van hun boerderijen opeengepakt in tentenkampen.

Milner krijgt van Mrs. Fawcett te horen dat dit grote aantal niet te wijten is aan omstandigheden die de Britten niet in de hand hebben. Haar commissie vindt weliswaar dat de epidemieën gedeeltelijk te wijten zijn aan de onhygiënische toestanden, die in de Zuid-Afrikaanse oorlog voorkomen en dat ook de Boerenvrouwen de tenten niet ventileren, maar de belangrijkste oorzaak daarvan is de militaire bureaucratie. Men had kunnen voorzien dat er epidemieën zouden uitbreken, in de rantsoenen had groente moeten zitten en bij de eerste uitbraak van een epidemie hadden als de weerlicht doktoren en verpleegsters naar de kampen gestuurd moeten worden. Chamberlain heeft de boodschap begrepen. Omdat Milner formeel verantwoordelijk is voor de kampen krijgt hij een berisping en de opdracht om alle noodzakelijke stappen te ondernemen voor het omlaag brengen van de dodencijfers. Nu dalen die dan ook eindelijk. Was het percentage in oktober nog 34.4, in februari 1902 bedraagt het nog slechts 6,9 en kort daarna 2. Wel zijn er, sinds de kwestie voor het eerst in het parlement ter sprake kwam, tien maanden voorbijgegaan voordat die verbetering bereikt werd. In die tijd zijn er tussen de 18.000 en 20.000 blanken en 12.000 zwarte Afrikanen gestorven, waarvan de meesten het slachtoffer waren van mazelen en van tyfus. Dat er een commissie nodig was om aan te tonen dat de militaire leiding in Zuid-Afrika die epidemieën had kunnen en moeten voorkomen, is des te wranger nu het ging om weerloze vrouwen en kinderen.

 

Hoofdstuk 17

NEDERLAND EN DE BOEREN

Bij het uitbreken van de Boerenoorlog is het meer dan een eeuw geleden dat de Nederlandse Republiek het in de vierde Engelse oorlog (1780-1784) tegen de Britten heeft durven opnemen. Bij de Vrede van Parijs beëindigde ons land voor de laatste keer in de geschiedenis een oorlog met het land aan de andere kant van de Noordzee. In de 19de eeuw speelt Nederland onder zijn nogal autocratische koningen een steeds minder belangrijke rol in Europa. In 1899 heeft de tot koninkrijk geworden staat niet meer de kracht om het land, waartegen zij in de 17de eeuw tot drie keer toe op voet van gelijkheid een zeeoorlog heeft gevoerd, te laten weten dat het zijn handen moet afhouden van de twee republiekjes in Afrika, waar tienduizenden nakomelingen van Nederlanders hun onafhankelijkheid willen behouden. In het parlementaire systeem, waarin sinds 1848 de koning geen beslissende invloed meer op de besluitvorming kan uitoefenen, zijn achtereenvolgende kabinetten tot de slotsom gekomen dat alleen een strikte neutraliteitspolitiek Nederland kan behoeden voor een herhaling van wat in 1798 is gebeurd, de verovering van het land door een andere grote Europese mogendheid, toen Frankrijk. Zelfs een coalitie met een nabuur, die zich garant stelt voor de Nederlandse onafhankelijkheid, komt niet ter sprake. Aan het einde van de 19de en het begin van de 20ste eeuw voelt de regering van het Koninkrijk der Nederlanden zich politiek noch militair sterk genoeg om de Britse regering dat te laten weten, wat de grote meerderheid van de Nederlanders vindt van de houding van Groot-Brittannië ten opzichte van de twee Boerenrepublieken in Zuid-Afrika: keep your hands off!

Die neutrale politiek heeft een eeuw lang het beoogde effect. Zelfs in 1914 respecteren de Duitsers die neutraliteit, niet omdat zij het volkenrecht willen eerbiedigen, maar omdat ze het Nederlandse grondgebied niet nodig hebben voor hun aanval op Frankrijk. In 1940 ligt dat anders. Niet alleen Frankrijk is het doelwit van de Duitsers, heel Europa moet één groot Duits Rijk worden. In de jaren rond 1900, waarin de twee Boerenrepublieken in Zuid-Afrika enige politieke steun uit Nederland goed kunnen gebruiken, viert de neutraliteitspolitiek, die zo lang onze vrijheid moest verzekeren, hoogtij. De bevolking voelt zich echter alles behalve neutraal. Zij uit haar gevoelens tijdens de Boerenoorlog door de oprichting van Boerenhulpcomité’s en het uitbreiden van de behartiging van de culturele banden met Zuid-Afrika. Hoewel er op velerlei terrein een betrokkenheid tussen de drie landen bestaat en een aantal Nederlanders zich zelfs geroepen voelt om in een Nederlanderkorps aan de kant van de Boeren mee te vechten, is er in het parlement geen meerderheid te vinden om het kabinet Pierson te dwingen de beide Zuid-Afrikaanse Republieken uit te nodigen voor de Eerste Haagse Vredesconferentie van 1899. De oppositieleider in de Tweede Kamer, dr. Abraham Kuyper, beschuldigt daarom de minister van Buitenlandse Zaken, De Beaufort, van een ‘onvergeeflijke zwakheid’, waardoor hij heeft meegewerkt aan ‘de internationale doodverklaring’ van de Boerenrepublieken.

Een van de onderwerpen waarover men het in de Haagse Vredesconferentie eens werd was nota bene de vreedzame beslechting van internationale geschillen. In 1899 is er nu net een geschil tussen onafhankelijke staten, dat in aanmerking komt om dat resultaat van Den Haag aan te wenden om een dreigende oorlog te voorkomen. Hoewel het voorstel van Paul Kruger om het geschil tussen zijn land en dat van zijn tegenspeler Lord Milner aan een onafhankelijk commissie voor te leggen helemaal in de lijn van de – door Groot-Brittannië onderschreven – conclusies van de Haagse Vredesconferentie ligt, wordt het door de Britse onderhandelaar Milner, hooghartig van de hand gewezen. En nu, in 1902, weigert het Permanente Hof zich erover uit te spreken!

Paul Kruger krijgt bij zijn aankomst in Den Haag een brief van de voorzitter van de Eerste Kamer waarin hij de oorlog ‘opgedrongen en onrechtvaardig’ noemt en de manier waarop zij gevoerd wordt, ‘barbaars’. Maar de Nederlandse regering haast zich de Britten te laten weten dat zij hiervoor niet verantwoordelijk is. En de Kamervoorzitter krijgt te horen dat hij de Nederlandse neutraliteit uit het oog heeft verloren.

Als de Boerenoorlog op zijn einde loopt en duidelijk wordt hoe verschrikkelijk de toestanden in de kampen zijn, worden in Nederland verkiezingen gehouden. Dat is het moment waarop de Nederlandse bevolking haar mening over de regeringspolitiek van premier Pierson c.s. kan geven. Ze doet dit door het kabinet een verpletterende nederlaag toe te brengen. De kiezers hopen dat Abraham Kuyper in staat zal zijn een voor de Boeren gunstige vrede te bewerkstelligen. Zij zorgen ervoor dat de ARP de verkiezingen wint, maar daarin worden zij teleurgesteld. Al snel stelt de nieuwe minister-president zich in feite op hetzelfde standpunt als zijn bekritiseerde voorganger. Ook hij wil zich niet laten verleiden tot uitspraken die Engeland onwelgevallig kunnen zijn en verklaart zonder omwegen dat hij het met de neutraliteitspolitiek van de vorige regering volledig eens is. Net als de Boerendeputatie al tevergeefs bij het Hof van Arbitrage in Den Haag had bepleit om Engeland te dwingen in te stemmen met een arbitrage, probeert Kuyper het Hof tot een uitspraak over de kwestie te bewegen, maar dat verklaart zich onbevoegd. Alleen al de weigering van Groot-Brittannië om welke vorm van arbitrage dan ook te aanvaarden is daarvoor blijkbaar voldoende. Eenzelfde poging van de Verenigde Staten is hetzelfde lot bezworen. Wel probeert Kuyper nog via een onderhandse conceptnota de bereidwilligheid van de Britten te peilen om een aanbod van goede diensten te aanvaarden, maar die leidt tot niets. Het grote probleem is dat de Boeren alleen willen onderhandelen op basis van het behoud van hun zelfstandigheid, iets dat voor de Britten onbespreekbaar is. Ook Kuypers reisje naar Parijs levert niets op; de Fransen zien helemaal niets in zijn bemiddelingspoging. Hoewel onze minister van Buitenlandse Zaken begin januari 1902 via de gezant in London zich ervan heeft vergewist dat de Britse regering een Nederlands voorstel tot het uitnodigen van gedelegeerden van beide partijen niet als een onvriendelijke daad zal beschouwen, gaat Kuyper in zijn eentje op een andere manier te werk. Hij krijgt de Boerendelegatie, die in Europa is, zo ver dat zij de eis van het behoud van zelfstandigheid niet zullen noemen. Met dat resultaat gaat hij naar London maar wordt niet eens toegelaten tot een van de betrokken bewindslieden. Daarmee willen de Britten nog eens duidelijk aangeven dat de Boerenoorlog voor hen een binnenlandse aangelegenheid is. De persoonlijke problemen die Kuyper blijkbaar heeft met het bloedvergieten in deze oorlog, zijn er kennelijk de oorzaak van dat hij buiten Van Lynden om coûte que coûte probeert tot vredesonderhandelingen te komen. In feite speelt hij op deze manier de Britten in de kaart. Van Lynden boekt meer resultaat. Zijn nota wordt door de Britse regering naar Kitchener gestuurd om haar aan de Boerenleiders te geven. Uiteindelijk heeft dit geleid tot de onderhandelingen tussen beide partijen en de Vrede van Vereeniging. De Nederlandse regering wil op dat verdrag niet reageren omdat de Britse regering, die de Vrede van Vereeniging als een capitulatie beschouwt, daarover geen bericht heeft doen uitgaan. Dat doet zij evenmin op de annexatieverklaring die door de Amerikaanse regering wel uitdrukkelijk wordt verworpen.

Voor Nederland blijven er na de Vrede van Vereeniging heel wat problemen over. Het grootste probleem is wat er met gevangengenomen Nederlandse vrijwilligers en het Nederlandse personeel van de Nederlands-Zuid Afrikaanse Spoorwegmaatschappij moet gebeuren. Die zijn voor de Britten ‘personae non gratae’. Daarnaast is er een groot financieel vraagstuk. Niet alleen zijn alle Nederlandse eigendommen in de beide voormalige republieken, met name die van de NZASM, genaast, belangrijker is de vraag of niet alleen de Nederlanders in de concentratiekampen op kosten van onze regering naar Nederland mogen repatriëren, maar ook of onderdanen van de voormalige republieken naar Nederland kunnen komen. Wat de eersten betreft, zij krijgen de vrijheid naar Nederland terug te keren, als zij tenminste geen krijgsgevangenen zijn. Maar wel op eigen kosten! Alleen als zij de terugkeer niet kunnen betalen mogen zij zich tot een van de consulaten wenden. De Zuid-Afrikanen worden van overheidswege niet geholpen want dat wordt aan het particulier initiatief overgelaten. Dat brengt geen geweldig bedrag op, ƒ650.000, terwijl in Nederland berekend was, dat er voor de overtocht van 117.000 vrouwen en kinderen twaalf miljoen gulden nodig was. Een vijftal Kamerleden diende op initiatief van de Utrechtse bankier en SDAP-er Van Kol wel een motie in om alle vrouwen en kinderen die dat wilden naar elders te laten overbrengen, maar die actie heeft geen succes.

Ook de voormalige Boerenleiders doen nog een poging om aan geld voor humanitaire hulp te komen. Louis Botha, Koos de la Rey en Christiaan de Wet gaan naar Europa. Zij willen vooral bewerkstelligen, dat het schadevergoedingsbedrag ex artikel 10 van het vredesverdrag van 3 miljoen Engelse ponden verhoogd wordt. Maar hoe zij ook betogen dat de totale particuliere schade, inclusief de bouw van nieuwe boerderijen en de aanschaf van vee op 69 miljoen moet worden berekend, wil Chamberlain niets van enige verhoging weten. Geen wonder, want de oorlog heeft de Britse schatkist £217 miljoen gekost, wat de bevolking door elk jaar hogere belastingen heeft ervaren. Wel stemt Chamberlain later tijdens zijn bezoek aan Zuid-Afrika in met een lening aan de getroffen boeren van £35 miljoen.

 

Hoofdstuk 18

KONINGIN WILHELMINA EN DE BOERENOORLOG

Ze was nog maar negentien jaar en net één jaar koningin toen de Boerenoorlog uitbrak. Die strijd van haar en mijn stamverwanten hield Wilhelmina toen al erg bezig. Reeds in november 1899 ging zij voor zichzelf na hoe de kansen voor de Boeren lagen. Ze woog niet alleen de voor- en nadelen van de beide partijen tegen elkaar af, maar bekeek ook de oorlogskansen in het kader van de politieke verhoudingen in de wereld. Ze wist toen al zoveel van de situatie in Zuid-Afrika dat ze tot de conclusie kon komen dat het de Engelsen vooral om ‘de goudmijnen van Johannesburg’ te doen was en voor zichzelf noteerde ze ‘daarom hebben zij tot den oorlog gedreven’. Haar persoonlijke opvattingen kon zij vanzelfsprekend in onze parlementaire democratie niet naar buiten brengen, maar zij had er kennelijk behoefte aan om die toch ergens vast te leggen, al was het maar voor een van haar latere onderdanen. Zij deed dat in persoonlijk geschreven aantekeningen, waaruit duidelijk blijkt dat zij voor zichzelf tot de conclusie was gekomen dat de Uitlanderkwestie voor de Britse regering alleen een voorwendsel was om de Engelsen ervan te overtuigen dat ‘hun belang meebracht op te treden in Zuid-Afrika’.

Wilhelmina zag duidelijk dat de kans van de Boeren om hun onafhankelijkheid te bewaren vooral zou afhangen van de steun van andere grote mogendheden. Ze wist ook dat het vooral de overmacht ter zee van de Britten was, die een interventie van Frankrijk, Duitsland en Rusland zou verhinderen. De beste mogelijkheid lag volgens haar nog bij Rusland, dat weliswaar ook geen sterke marine had, maar wel in staat was Engelands positie in Azië aan te tasten. Met name in Perzië, Afghanistan en China hadden de Britten belangen die door Rusland met lede ogen bezien werden.

Over de Verenigde Staten zegt zij eerst dat die ‘geen punt van beschouwing kunnen uitmaken’ omdat – en dat is wel een heel opvallende gedachte – er ‘nooit zekerheid over hunnen staatkunde kan bestaan’. Opvallend omdat die onzekerheid volgens haar veroorzaakt wordt door de verkiezingen en ‘de stroomingen welke zeer snel kunnen aanwassen en afnemen’. Toch vindt zij blijkbaar dat de beste kans voor een interventie bij de V.S. ligt vanwege de vele handelsbetrekkingen met Engeland en de Britse belangen in Canada.

Dat het inderdaad de geweldige Britse militaire macht, met name ter zee, is geweest die heeft verhinderd, dat ook maar één van de grote mogendheden probeerde om de Britten te bewegen af te zien van de oorlog of die eerder te beëindigen, heeft de jonge koningin al vóór het uitbreken van de Boerenoorlog ingezien.

Al voordat zij haar gedachten erover aan het papier toevertrouwde heeft de jonge Wilhelmina geprobeerd de dreigende oorlog te voorkomen. Op 8 september 1899 schreef zij aan Queen Victoria een persoonlijke brief waarin ze een beroep op haar deed om haar ‘powerful influence’ aan te wenden. Zij was tot het versturen van deze brief gekomen nadat de minister van Buitenlandse Zaken, De Beaufort, haar twee dagen tevoren had geschreven dat hij van de Engelse wijsgeer Frederic Harrison een brief had gekregen. Daarin gaf die als zijn mening te kennen dat een eigenhandig geschreven privébrief van koningin Wilhelmina aan Queen Victoria zou kunnen bijdragen aan het voorkomen van de op handen zijnde oorlog. Hoewel de regering zich op geen enkele manier wilde mengen in het geschil tussen Engeland en de Zuid-Afrikaanse Republiek wilde zij het aan de koningin overlaten of zij een dergelijke brief wilde schrijven. Als daarin alleen haar persoonlijke gevoelens blootgelegd zouden worden zou het kabinet niet in verlegenheid hoeven te komen. Wilhelmina hoefde niet lang na te denken of zij zo’n brief wilde schrijven. Het is inderdaad een strikt persoonlijke brief geworden, waarin het nichtje van de bejaarde Britse vorstin in keurig Engels en heel diplomatiek een beroep doet op haar gevoelens van menselijkheid en grootmoedigheid. Tevergeefs, nog in dezelfde maand, krijgt zij een kort briefje terug, waarin koningin Victoria haar duidelijk maakt dat het in feite van de redelijkheid van Paul Kruger afhangt of er al dan niet een oorlog komt.

Het kabinet Pierson heeft inmiddels wel koude voeten gekregen. Het laat De Beaufort een persoonlijk briefje schrijven waarin hij de koningin bezweert aan deze briefwisseling geen openbaarheid te geven. Als Kruger of Leyds er de lucht van zouden krijgen zou dat volgens hem de bewoners van de Zuid-Afrikaanse Republieken nog kunnen ‘stijven in hun ongewenste houding van onverzettelijkheid tegenover het overmachtige Engeland’.

 

Tegeltableau in het Zuid-Afrikahuis in Amsterdam

Hoe de kaarten er, vanuit Nederland gezien, voor de beide Boerenrepublieken bij lagen, was dus al direct duidelijk. Op enige officiële hulp hoeven zij niet te rekenen. Dat de oorlog in oktober 1899 niet meer te voorkomen is heeft Wilhelmina, anders dan vele Britse en andere historici, niet aan Paul Kruger geweten. Zij wist het zeker: Engeland noopte door zijn steeds dreigender wordende houding president Kruger het ultimatum te zenden, waardoor de oorlogsverklaring werd uitgelokt (onderstreping auteur).

Het viel de fel meelevende Wilhelmina toen dan ook moeilijk het regeringsstandpunt van strikte onthouding te respecteren. Zij moet in twee jaar tijd haar opvatting wel ingrijpend hebben gewijzigd want in 1901 kreeg Kuyper pas een formatie-opdracht nadat hij haar verzekerd had dat ten aanzien van de Zuid-Afrikaanse kwestie de Nederlandse neutraliteitspositie strikt gehandhaafd zou blijven.

Voor de Vredesconferentie die in de zomer van 1899 in ’s-Gravenhage werd gehouden, heeft Wilhelmina zich bijzonder geïnteresseerd. Maar dan in negatieve zin. Dat blijkt duidelijk uit haar in 1902 geschreven ‘Regeringsherinneringen’. Van die op initiatief van tsaar Nicolaas gehouden conferentie had zij al direct geen hoge hoed op: ‘Omdat de geschiedenis geleerd heeft dat een vredescongres een voor de onderlinge verstandhouding zeer gevaarlijke zaak is, was het beter het niet bijeen te roepen op het grondgebied van een der grote mogendheden’. Dat beseft zij wel en ook dat ‘daarom werd eerst gedacht aan Denemarken en België’. Maar dat Nederland gevraagd werd vond zij maar een zeer twijfelachtige eer, omdat daardoor op ons land een stempel van minderwaardigheid gedrukt zou worden. ‘Wij wisten toen ook nog niet in welk wespennest wij ons staken’, zo bedenkt zij drie jaar na de conferentie. Omdat andere ruimtes, waaronder de Trèveszaal, niet geschikt bleken, stelde zij het Huis ten Bosch beschikbaar. In haar schriften kunnen we ook nog iets lezen over de onderlinge verhoudingen toen. Hoewel Rusland ruim wilde zijn met de uitnodigingen weigerde Italië een afgevaardigde te zenden als de Paus een delegatie naar Den Haag zou sturen. Dus werd het Vaticaan niet uitgenodigd. Dat Engeland weigerde zijn afgevaardigde te laten plaatsnemen naast die van een suzereine staat, zoals het de Zuid-Afiikaanse Republiek placht te noemen, grieft Wilhelmina duidelijk waar ze schrijft: ‘onze stamverwanten werden dus van de conferentie gebannen’. En over Tsaar Nicolaas II, die het initiatief voor deze conferentie genomen had, schreef zij: ‘neen voorwaard, Keizer Nicolaas had zich moeilijk iets kunnen uitdenken dat mij meer ergerde dan in mijn eerste regeeringsjaar zijn vredewoord te spreken en voor te stellen het laten bespreken in mijne residentie’.

Dat een eeuw geleden de wereld (nog) niet klaar was voor wereldwijde afspraken over de beslechting van internationale geschillen en de gebruiken van de oorlog zag onze jonge koningin toen al in. Wat cynisch gaf zij uiting aan die overtuiging toen ze wat later aan zichzelf schreef dat ‘men van al die hooggeroemde vredesplannen nu, na tweeënhalfjaar jaar nooit meer hoort spreken.’ Ook de tweede Haagse conferentie, die in haar tiende regeringsjaar werd gehouden, had geen enkel praktisch effect getuige de Eerste Wereldoorlog die zes jaar later zou uitbreken.

 

Hr. Ms. Gelderland. (Inst. Voor Maritieme Historie)

De Boerenoorlog was nog geen half jaar aan de gang toen Wilhelmina een poging ondernam om er een einde aan te maken. Zij schreef op 20 maart 1900 aan Kaiser Wilhelm II: ‘Euer Majestät, Lieber und sehr verehrter Vetter!’ het verzoek om ‘das schlimmste von den Buren abzuwenden durch eine Intervention bei England mit den andern Mächten’. Voor het geval dat dit niet zou kunnen vroeg zij: ‘Oder kannst Du mir beruhigen indem Du mir einen andern Ausweg zeigt?’ Na een week geeft haar bloedverwant in een brief van elf kantjes een afwijzende reactie, waarop Wilhelmina met een kort bedankbriefje reageert.

Van tsaar Nocolaas weet ze inmiddels al dat van hem geen enkel initiatief te verwachten is om te proberen aan de Boerenoorlog een einde te maken. Haar minister van Buitenlandse Zaken, De Beaufort, heeft al op 13 maart een telegram van de gezant in Petersburg gekregen dat de Russische minister van Buitenlandse Zaken, hem gezegd heeft dat zijn regering geen initiatief tot een interventie zal nemen, maar dat zij wel hoopt dat de grootmachten het erover eens zullen worden een bemiddeling aan te bieden om een einde aan de oorlog te maken. Toch stuurt ze hem nog een aanbevelingsbrief in de Franse diplomatieke taal dat de Boerendelegatie, die door Europa en Amerika reist om de zaak van de Boerenrepublieken te bepleiten, ‘rencontrera chez Votre Majesté la haute bienveillance dans laquelle je me permets de la recommander’. In augustus 1900 krijgt ze van haar ‘bonfrère’ een afwijzend antwoord omdat hij vindt dat ‘le moment actuel n’est sans aucun rapport favorable à une démarche dans ce but auprès l’Angleterre’.

Uit haar ‘Regeeringsherinneringen’ komen we over de Nederlandse houding tegenover Paul Kruger niet zo heel veel te weten. Anders dan de verhalen, die daarover de ronde deden, is het niet aan haar initiatief, maar dat van marineminister J.A. Roëll te danken dat Paul Kruger met een oorlogsschip uit Mozambique naar Europa gehaald is. De precieze datum weet zij zich na meer dan een jaar niet meer te herinneren, maar wel dat het eind augustus, begin september geweest is, dat de regering aan haar voorstelde een schip te zenden om hem op te halen. Daar was zij natuurlijk meteen voor, maar vond het alleen jammer dat dit niet met de ‘Friesland’ kon. Zo goed was zij op de hoogte van de bewegingen van ‘Harer Majesteits schepen van oorlog’, dat zij nog wist dat dit pantserdekschip in Lourenço Marques had gelegen om eventueel hulp te verlenen aan Nederlandse vluchtelingen uit de beide Boerenrepublieken. Het schip was al naar Nederlands-Indië vertrokken wegens de slechte gezondheidstoestand van de bemanning. Hr. Ms. Gelderland, al op weg naar Indië, kreeg opdracht om koers te zetten naar de Delagoa baai.

Dat Paul Kruger in de Portugese kolonie in feite de gevangene van de gouverneur was, weten we ook pas uit deze herinneringen. De president had eerst zijn intrek genomen bij de Nederlandse consul Pot, maar werd door de Portugese gouverneur ‘uitgenodigd’ bij hem te komen wonen. Zo kon hij verhinderen dat Kruger door zijn aanhangers bezocht zou worden. De koninklijke schrijfster weet het niet zeker, maar heeft toch het sterke vermoeden dat Portugal met de Britse regering heeft onderhandeld over zijn uitlevering. Dat de Britten daar geen behoefte aan hadden zou betekend hebben dat hij zonder hun bezwaar hier kon komen.

Wilhelmina heeft Kruger dus persoonlijk leren kennen, want niet alleen heeft zij hem, samen met haar moeder, op 8 december 1900 in een korte audiëntie ontvangen, enige dagen later kwamen Kruger en Leyds bij haar eten. Zij had dus kennelijk behoefte om ook buiten een officiële audiëntie met hem te praten. Maar over haar indrukken over deze opvallende politicus krijgen we niets te lezen; ‘het is hier niet de plaats om een schets te geven van den Grijsaard, noch van de indruk die zijn persoonlijkheid maakt, noch van zijn karakter, deze punten ga ik dus met stilzwijgendheid voorbij! Waarschijnlijk was de jonge koningin erg teleurgesteld in de uitgebluste, invalide man, die zij uit de verhalen als een beroemde oorlogsheld dacht te kunnen ontmoeten.

Op 3 februari 1902, de oorlog is bijna voorbij, vindt de koningin het ogenblik gekomen om die krijg, zoals zij hem noemt, eens uit een algemeen oogpunt te bezien. Ze begint met aan zichzelf de vraag te stellen waarom Engeland die oorlog begonnen is en komt tot de slotsom dat het imperialistisch gezinde kabinet zich door zijn kapitalistische gezindheid heeft laten verlokken tot de goudmijnen. Daarnaast is het volgens haar ook een rassenkwestie geweest en een duidelijke expansiepolitiek. Over de gevolgen van de oorlog laat zij zich wat minder duidelijk uit.


 

Afrikaners en die diaspora-verskynsel

Wessel Visser

7 Maart 2003

(Dept. Geskiedenis, Universiteit van Stellenbosch)

Gereelde koerantlesers wat die (dikwels emosionele) sogenaamde “bly of gly”-debat in die dagpers volg, sou maklik die indruk kon kry dat emigrasie of diaspora (letterlik: “verstrooiing van sade”) ’n taamlik onlangse neiging onder Afrikaners is. En tog is hierdie “trekgees”, soos C.J. Scheepers Strydom dit in die boek Afrikaners in die Vreemde stel, geensins vreemd, allermins nuut, in die geskiedenis van die Afrikaners nie.

Hetsy om ekonomiese, politieke of maatskaplike redes, die “drang tot uitbreiding”, “nomadiese instinkte”, “wanderlust”, die “aantrekking van die vreemde onbekende” of die “sug na avontuur”, hierdie “dwingende gees om te trek” is al so vroeg as die 18de eeu onder Afrikaners vaardig. So was daar die uitbreidingstrekke van die veeboerpioniers vanuit die Kaapkolonie gedurende die 1700’s, die sogenaamde kommissietrekke wat die binneland moes gaan verken op soek na ’n geskikte Afrikaner-tuisland op die vooraand van die Groot Trek, gevolg deur die Trek self teen die 1830’s.

Tussen 1874 en 1905 vind ’n verdere reeks trekke, gesamentlik bekend as die Dorslandtrek, uit die Transvaal na Angola en later na die huidige Namibië plaas. Die Dorslandtrek was klaarblyklik ’n soeke na ’n beter en welvarende ekonomiese bestaan. Die feit dat Angola-Afrikaners se private skole en hulle taal later deur die Portugese owerheid verbied is, het egter in 1928, ná 40 jaar in die land, tot ’n repatriasie van Angola-boere na die destydse Duitswes-Afrika aanleiding gegee.

Vanaf 1891 sou ’n volgende golf Afrikaner-emigrante onstaan; dié keer noordwaarts na Suid- en Noord-Rhodesië (Zimbabwe en Zambië), Brits-Oos-Afrika (Kenia) en Duits-Oos-Afrika (Tanzanië). Sommige Afrikaners het selfs tot in die noordweste van die Kongo en Uganda uitgewyk, terwyl ’n ander groep ná die Tweede Vryheidsoorlog teen 1903 as huursoldate vir die Italianers in Somaliland gedien het. Die belangrikste redes vir hierdie Afrikaner-diaspora was ekonomies van aard met politieke ondertone hier en daar. Baie was op soek na ’n nuwe ekonomiese heenkome in ’n “Beloofde Land”. Dan was daar diegene met ’n sterk nasionalistiese “roepingsbewustheid” wat na die Tweede Vryheidsoorlog steeds na onafhanklikheid gestreef het, terwyl andere die ideal van Afrikaner-gebiedsuitbreiding in Midde-Afrika gekoester het. Daarby is Suid-Afrika ná die Tweede Vryheidsoorlog ook ondraaglik vir baie “hensoppers” en “joiners” gemaak.

Die trekgees onder Afrikaners het spesifiek na die Tweede Vryheidsoorlog weer na vore getree toe honderde Afrikaners uit protes teen die Britse militêre verowering van Suid-Afrika na Argentinië geëmigreer het. In hierdie geval, soos met die Angola-Boere, was die Afrikaner-verhuising op die lange duur nie ’n sukses nie omdat hulle nie met die Rooms-Katolieke volksdeel wou integreer nie en ook as gevolg van ekonomiese probleme. Deur die bemiddeling van die NG Kerk en met die morele steun van sekere Afrikaner-politici is ’n paar honderd Argentynse Afrikaners vanaf 1937, na ’n afwesigheid van 35 jaar in die vreemde, gerepatrieer.

Met die koms van Uhuru na Afrika, die geweld wat dit teen kolonialisme ontketen het en met die onafhanklikwording van lande soos Kenia, Tanzanië, Zambië en die Kongo, is groot groepe Afrikaner-nedersetters van Oos-Afrika ook uiteindelik gedwing om stuksgewys na Suid-Afrika terug te keer.

’n Baie interessante en kleurryke Afrikaner-diaspoor was ook genl. Ben Viljoen wat hom, gevolg deur sy familie, in 1903 na die VSA gewend het en uiteindelik in die deelstaat Nieu-Mexiko gevestig geraak het. Vandaar was hy in 1911 selfs betrokke by die omverwerping van die diktatoriale Diaz-bewind in Mexiko!

Met die NP-bewindsaanvaarding in 1948, die beleid van apartheid en die daaropvolgende isolasie en veroordeling van Suid-Afrika, asook die verwesenliking van die republikeinse ideaal in 1961, het die Afrikaners in die tweede helfte van die 20ste eeu kultureel grotendeels laer getrek in ’n pro-Afrikaner republiek. Maar met die aftakeling van apartheid en die totstandkoming van ’n nuwe swart-oorheersde staat, asook Suid-Afrika se toenemende toetrede tot ’n globaliserende wêreld, het ’n hernieude trekgees en gevolglike Afrikaner-diaspora egter vaardig geraak.

Tydens ’n onlangse dagseminaar van die SA Akademie vir Wetenskap en Kuns is ’n hele aantal redes vir die huidige diaspora geïdentifiseer: politieke en ekonomiese onsekerheid vóór en ná 1994 of blankes ’n toekoms in Suid-Afrika het, onsekerheid onder Afrikaners oor die veiligheid van hulle kinders se toekoms, die vrees vir dalende standaarde onder die nuwe bedeling, politieke onwilligheid om onder ’n swart regering te bly, regstellende aksie en ’n toenemende ontoeganklikheid vir blankes tot die arbeidsmark, sogenaamde “laaste strooi”-ervarings van die nuwe Suid-Afrika of doodeenvoudig onweerstaanbare oorsese werk- en loopbaangeleenthede wat as gevolg van globalisering vir Suid-Afrikaners oopgaan.

Wat egter duidelik blyk ’n uitstaande gemene deler in die huidige Afrikaner-diasporakwessie te wees, en wat geen faktor in enige van die ander genoemde voorbeelde was nie, is die skrikwekkende afmetings wat misdaad sedert die 1990’s in Suid-Afrika aangeneem het.

Suid-Afrika se lang internasionale isolasie het heelwaarskynlik die moderne Afrikaner-diaspora as ’n “skielike verskynsel” gestimuleer en dis waarskynlik waarom kwessies soos landsverhuising en skeiding met soveel emosionele trauma in die huidige “bly of gly”-diskoers gevoer word. Met hulle uitstekende tersiêre opleiding en tweetaligheidsvermoë is talle Afrikaners vinnig besig om deel van ’n groeiende wêreldburgery van geglobaliseerdes te word, spesifiek in Engelstalige lande soos Kanada, die VSA, Brittanje, Australië en Nieu-Zeeland. Net soos talle ander diaspora-immigrante al vir baie lank in Suid-Afrika ’n nuwe tuiste gevind het. Dink maar aan die Hugenote, Jode, Indiërs, Sjinese, Grieke, Portugese, noem maar op!

Hoe en of Afrikaner-diasporagemeenskappe in die buiteland in die toekoms gaan manifesteer, of hulle met Afrikaners in Suid-Afrika ’n wisselwerking sal opbou en of hulle die Afrikaanse taal en kultuur in buitelandse gemeenskappe sal handhaaf en laat geld, sal die tyd moet leer. Aan laasgenoemde kriterium sou die groot en groeiende Afrikaner-gemeenskappe van Auckland, Nieu-Zeeland en van Londen byvoorbeeld kon voldoen.

Maar oor die langtermynvolhoubaarheid van ’n hedendaagse Afrikaner-diasporagemeenskap in die vreemde, was daar heelwat bedenkinge tydens die Akademie-seminaar, veral in die lig van die sterk neiging tot verengelsing as gevolg van die druk van globalisering. Volgens prof. Brian du Toit, self ’n Afrikaner-diaspoor in die VSA wat ’n studie van die onderwerp gemaak het, sal Afrikaner-emigrantgemeenskappe in die buiteland ’n ruk lank hulle sosiale identiteit behou. Namate hulle egter in hulle nuwe gemeenskappe integreer en die plaaslike taal (in die meeste gevalle Engels) bemeester, sal hulle tot ’n nuwe identiteit transformeer. Daarom is daar twyfel uitgespreek of die kinders van die eerste generasie diaspore veel van die Afrikaanse taal en kultuur sal oorhou.

Dit bly ook ’n ope vraag of die pogings om hedendaagse Afrikaner-diaspore tot remigrasie te oorreed, soos die Oos-Afrika-, Angola- en Argentynse Afrikaners van ouds, suksesvol sal wees. Sommige teruggekeerdes vind dit inderdaad baie moeilik of onmoontlik om weer aan te pas. Maar uiteindelik sal toekomstige politieke, ekonomiese en sosiale tendense in Suid-Afrika en die buiteland waarskynlik deuslaggewende faktore wees.

Hoe dit ook al sy, volgens Du Toit het die moderne verskynsel van ’n Afrikaner-diaspora gekom om te bly. En daarmee is ’n ou verskynsel onder Afrikaners, wat ook onder talle ander kultuurgroepe voorkom, weer hervat.

(Aangepas uit oorspronklike artikel op Solidariteit-webblad http://www.solidariteit.co.za)


 

OOR KAAPSE LANDBOUERS EN SEISOENE

 

1. INLEIDING

Daar is in die eerste jaar na kommandeur Jan Anthonisz. van Riebeeck se aankoms aan die Kaap de Goede Hoop baie tot stand gebring. Dat dit die geval was, is hoofsaaklik aan die kommandeur se ywer en daadkrag te danke. Terwyl ’n deel van die besetting besig was met die borswering rondom die fort, ander met die grawe van ’n kelder onder die woon- en pakhuise wat nog gebou moes word, skryf Van Riebeeck op 29 April in sy dagregister: “Item, bij den tuijnier, ons uijt ’t vaderlant mede gegeven, eenige parckjens aerde om voor eerst tot preuve wat te besaijen ...” (Daghregister, deel 1) – so kry tuinier Boom op daardie dag opdrag om die eerste saad in die aarde te saai. Op 1 Mei het nog ’n amptenaar opdrag gekry om saam met Boom “moes en andere cruijden’, dus groente, te saai en om naby die grag rondom die fort te begin spit. Op 19 Junie is vyf of ses man besig om “patriase saden”, dit is saad afkomstig uit Nederland, te saai: radys, slaai en bronkors. In Julie spoel die meeste saad egter weg en weer eens word rape, kool, geelwortels, ertjies, boontjies, radys, slaai, beet, spinasie en allerhande graansoorte gesaai. Die doel was, soos Van Riebeeck in die Daghregister skryf, om die hele jaar deur klein hoeveelhede saad in die grond te kry om sodoende proefondervindelik vas te stel wat die beste tye sou wees om elke soort saad te saai.

Hoewel Boom met ses of sewe tuiniers die werk gedoen het, het Van Riebeeck eiehandig in sy Hovenier’s Almanack opgeteken wat gesaai en geplant is en wat van die saad geword het. Ook in die Daghregister vind ons ’n weergawe van die saad wat gedurende die eerste jaar reeds aan die Kaap gesaai is, soos Turkse boontjies, anys, vinkel, als, mispel, kweperpitte, Spaanse lemoenpitte, appelpitte, andyvie, boerboontjies, geel- en rooibeet, moesgroente bekend as warmoes, komkommers en pampoen, uie, waatlemoene en ander meloene en katjangboontjies. Ook aan die toekoms is gedink, want in sy brief van 14 April 1653 het Van Riebeeck, behalwe die reeds genoemde sade, ook nog 10 lb. pasternaken of witwortels bestel, asook 5 lb. saad van essebome, 1 lb. bieslook, 1 lb. artisjoksaad, 1/2 lb. pimpernelsaad, 1/2 lb. roosmarynsaad, 1/2 lb. rooi-, wit- en swart-aalbesse en kruisbesse. Wanneer hy vra om een pond braamsaad, skryf hy “sal hier wel wassen alsoo der wilde bramen sijn”. Interessant is ook sy versoek aan Amsterdam om “1 vatjen met carsen ende pruymesteenen, rood ende wit. Item enige persick ende abricoossteenen in sant gelijt ende coel bewaert” (Böeseken: 71).

Onderstaande is uittreksels van ’n Nederlandstalige manuskrip in die Von Dessin-versameling van die Suid-Afrikaanse Biblioteek, Kaapstad, gebaseer op die oorspronklike manuskrip in Van Riebeeck se handskrif wat verlore geraak het. Die onderhawige manuskrip beslaan 48 bladsye, met ’n formaat van 33 x 22 cm en in netjiese en sierlike skoonskrif geskryf. Ingedeel volgens die maande van die jaar, gee dit inligting oor ’n verskeidenheid sake wat vir die tuinier en landbouer van belang is.

2. “ALMANACH  DER  AFRICAANSE HOVENIERS EN LANDBOUWERS”

JANUARIJ

In deese maand is ’t op sijn heetste en de Z:O: wind in sijn meeste kragt, dan somtijds valt er nog wel een reegentje. De kool word er in vogtige grond geplant.

Turkse boontjes 1 1/2 duijm diep in de grond.

Thans is ’t regte tijd van blomkool, dewelke drooge, goede en vette grond begeerd.

De geoculeerde boomen, die aan ’t schieten sijn, moeten een duijm breet booven de oculatie afgesneeden worden.

In de wijngart dient vlijtig opgepast, dat de vogels aan de druij­yen geen schaden doen.

4 Januarij Blomkool verplant komt wel voort. NB in een goede, vette, en drooge grond drie voeten in ’t verband.

5-Ja. Turkse boontjes verplant in natter grond hebben goeden tier.

10 en 11-Ja Geoculeerde boomen gesneeden.

25-Ja Garabansos gesaaijt.

’t Koorn word gantschelijk afgemaijt.

In deese en de volgende maand is ’t de bequaamste tijd om riet te kappen omdat ’t sijn volle wasdom heeft, ’t welke dan in bosjes gebonden en weggereeden moet worden, op dat ’t niet, in ’t veld blijvende leggen, verrot.

’t Veld moet men branden.

In deese maand of in ’t begin of halve December, is ’t best voor den huijsman, dat hij de rammen met sijn ooijen laat speelen op dat sij haare lammeren in Maij, Junij, of Julij werpende gras tot haaren onderhout, en melk voor de lammeren moogen hebben, want ik gesien heb, dat bij een laaten en tragen regentijd, en gevolgelijk bij gebrek van gras, ooijen en lammeren met honder­den telkens in ’t veld door honger en koude dood bleeven.

FEBRUARIJ

De Z:O: wind koelt deese maand nog helder op, dog soo nu en dan word ’t dorre land, mitsgds: boom en aardvrugten met een regentje verquickt.

Raapen, wortelen kan men saaijen.

Turkse boonen in October, November, December gelegt sijn nu rijp.

Meloenen en waterlimoenen beginnen rijp te worden.

’t Koorn van terra de natal moet wel gade geslaagen worden, of de vogels doen groote schade daarin. Insgelijx moet men op de wijngaart wel passen, dat de vogels de rijpe druijven niet en eeten.

25 Febr. Wortelsaat gesaaijt, komt wel voort.

NB in ’t afgaan van de maand moeten se gesaaijt worden, gelijk meest de moeskruijden.

Erwten, en turkse boontjes moogen wel in ’t wassen van de maand gesaaijt worden, om dat se dan beeter in ’t land klimmen, te weeten in november.

Deese gantsche maand is men met dorschen en schoonmaaken van ’t koorn besig.

NB raapen in deese maand gesaaijt blijven den geheelen reegen­tijd, en tot october toe sonder in saat te schieten goed.

’t Veld kan nog wel gebrand worden, en dan is ’t ook wel op sijn best, want in de groote hitten gebrand, verbrand de wortel van ’t gras, en de groote hitte verdroogt ’t andere.

MAART

Is de laatste van den droogen tijd en twyffel maand, in dewelke de Z:O: en N:W: winden bij beurten schijnen te waaijen, en in de welke somtijds eenige reegen valt, sijnde althans alle thuijn­vrugten rijp.

De kool sal sterk aansluijten, meloenen, en waterlimoenen sijn meede rijp.

In de wijngaart is men met de druijf1ees wacker beesig, en met perssen van dien, werdende de moes gevaat.

Wortelen en raapen kan men saaijen. NB om wortelen in ’t laatst van ’t jaar te hebben.

Wortelen gesaaijt komen wel voort te weeten in fontijnig en seer vogtig land.

Om goeden rooden wijn te hebben moet men de druijf geperst op sijn doppen vier etmaalen laaten staan en dan in een schoon ongeswavelt vat aftappen, sonder iets ter weereld van berijtsel, stom of diergelijken vuijlijkhijd daarbij te doen, in plaats van swavel kan men op een vat gedestineert tot roo de wijn, 5 a 6 brandende nooten muscaten aan een snaar van een eijserdraat gereegen om te verlugten hangen.

In een vat dat suur is wil geen swavel branden.

NB als de most gevaat, en aan ’t werken is, moet men gestadig nieuwe most in plaatse van ’t uijtgewerkte nat gieten en het vat altoos vol houden, om dies te meer te werken, en van sijn droesem te suijveren.

Die huijsman hout sig besig met dorschen en koorn schoon te maken.

lndien er nog eenig land te branden overig is, dient men ten dien eijnde een schoonen heeten dag waar te neemen. Limoenen, citroenen, en orangie boomen behooren ten minsten 25 voeten ver van alle boomen en aardgewas in seer goede en tamelijk vogte grond geplant te worden, men dient ook d’ aarde ’s jaars eens met versche mist te bestroijen, en om te spitten, anders sterven gesijde boomen, terwijl derselver wortels wijt en sijd in de grond versprijdende en te digt bij malkanderen staande, de eene des anderen voetsel na sig trekt, waardoor se koomen te sterven, ’t geen men aan de Caab de naam van schurft geeft.

D’ Edele Heer Louis Van Assenburg, gouverneur aan Cabo de goede Hoop was van oordeel dat opgem: soogenaamde schurf­hijd voortkomt van ’t snoeijen der voors: boomen, en daardoor veroorsaakt word, ’t welk op de reeden schijnt gegrond te sijn, dewijl mijns dunkens de sappen dewelke gewoon sijn na de spits der limoen en orangien boomen gevoert te worden door ’t afsnijden derselver tacken weederom terug en na beneeden keerende, een verst erving in den stam veroorsaken.

APRIL

De reegenmaand, dewelke met sijn aangenaame vogt de aarde verquickt, geevende aan aIle gelijksaam een nieuw leeven, waardoor de velden weeder groen worden.

De Z:O: wind komt tot bedaaren, en vergeet sijn bulderen, overvloedig reegen vallende kan men eenige moeskruijden beginnen te saaijen te weeten salade, pieterselie, beet, spenagie, en kervel.

Meloenen, watermeloenen, en pompoenen sijn nu rijp, de kool is ook geslooten.

Appelen, peeren, queen &ra sijn meede rijp.

Slooten en dammen moet men thans opmaaken.

Men moet in deese maand al ’t koorn afdorschen, of andersints moet ’t over blijven leggen.

De landen dienen gemest, en soo ’t weesen kan ook geploegt te worden. Ider morgen goed land sijnde kan met 40 vragten mist gemist worden, soveel ses ossen per vragt wegrijden kunnen. Om een morgen land te besaaijen kunnen hier met drie scheepels koorn bestaan, in ’t vaderland moet men ’er ruijm vier hebben, dewijl daar swaare winters vallen, en dat ’er veel koorn door koude nat, en andersints verlooren gaat.

Met een ploeg van thien ossen kan men ’s daags twee scheepels saaijens omploeijen.

MAIJ

Is de tweede reegenmaand, dewelke doorgaans al taamelijk vogtig valt, hebbende somtijds schoon weer, sulx dat daardoor de laat gesaaijde vrugten bequamelijk rijp koomen te worden. Appelen, peeren, queepeeren &ra syn nu volkoomen rijp, en worden geplukt.

Moeskruijden dienen worden gesaaijt in ’t afgaan van de maand, als wortelen, raapen, radijs, rammenas, kropsalaat, endivie, kool, en bij vogtig weer verplant, insgelijks rosmarijn bij stokjes een span lang in vette, dog eenigsints vogtige grond.

Inlandsche boomen moeten met de eerste reegen verplant worden.

Bij schoon weer moet de wijn overgestooken worden.

Salij dient verplant te worden, NB want deselve op een plaats twee jaaren gestaan hebbende, begint te sterven.

Raapen en wortelen tot saat verplant.

Het keurboomsaat gesaaijt komt niet wel voort, soo men van sins is een hyning te maaken, moet men daartoe neemen jonge keurboomtjes, die van selfs onder aan de keurboome voortkoomen.

Ten velde is men besig met ploeijen en saaijen, al is ’er nog geen reegen gevallen, maar dan komt ’t lustig op de beesten, kouters, en schaaren aan.

Thans kalven de koeijen, en de schaapen lammeren.

Men segt dat als de honingdouw op de koorn airen valt, en ’t in twee a drie dage tijd niet komt te reegenen, dat dan die douw ’t koorn in de airen bederft, en dat se swart worden, ’t welk men brand noemt.

15 Maij garst gesaaijt.

’t Is bevonden seer goed te sijn voor de geene dewelke van land en vee versien sijn, dat se koornlanden ’t sij dat deselve al bear­bijd of driest sijn in augusta of September beploeijen, en dat tot ’t daaraanvolgende jaar laaten leggen, en alsdan ter behoor­lijke tijd besaaijen, en eenelijk omeggen, want in Maij en Junij is er doorgans nog wijnig gras, en sijn alsdan de ossen meeren­deels mager, swak en door andere diensten afgedreeven, maar in de maanden augustus en September valt ’er voor ’t vee gras genoeg, en goede wijde, kunnende alsdan ’t selve in een schoft gemakkelijk soveellands omploeijen, als tot een halve mudde saaijens noodig is.

JUNIJ

In deesen maand door den bank sonneschijn, en nog mooij weer, dierhalven tot ’t saaijen seer bequaam, soo in ’t open veld, als in besloote thuijnen.

Thans is ’t de regte tijd om boomen voornamentlijk inlandse te verplanten, waartoe reegenagtig weer dient waargenomen. De Z:O: wind waaijt selden, en qualijk de geheele maand een of tweemaal, daar teegens speelt de N: en N:W: wind den meesten tijd.

Patattos moeten nu opgenoomen worden, item Caba Sub­terranea of China boontjes of sij rotten.

Castanje boomen geplant.

Chineese vijgen gesaaijt.

Jonquille bollen geleijt.

Eijkeboomen geplant.

aardbesien verplant, appel, peeren, oranje boomen &ra. laaten versinken.

Amandelpitten geplant met de spits na beneeden, gelijk meede Castanjes, ocker of hasenooten, – de akers moeten soo haast se rijp geworden sijn, en in ’t afvallen staan, geplukt, en gepoot worden, want van selfs afgevallen sijnde, worden se aanstonds droog, en dan gepoot sijnde, koomen niet voort.

NB als de grond niet goed is om boomen daarin te planten soo moet men een bequaame kuijl graaven, daar in twee a drie tacke bossen van groen hout smijten, en deselve met goede vette aarde bedecken, en daar de boom die men plant van boovens en onder wel gesnoeijt insetten, sal wel groeijen.

Deese heele maand uijt is nog goet te ploeijen en te saaijen en tot halve Julij toe als ’t goed land is.

Koeijen en schaapen werpen nu best hun jongen.

’t Is seer goed in een versche voer te saaijen, dat is, ’t land dat laatst geploegt is te besaaijen, en aanstonds te eggen; ’t land nat en door reegen wel besagtigt, en geploegt sijnde is ’t raadsaamste ’t selve niet eerder, dan nadat ’t wat gedroogt is, te besaaijen, omdat alsdan ’t koorn beeter ondergeegt kan worden.

’t Land afdragtig sijnde, dienen de vooren schuijns te gaan tot beeter lossing van grond- of reegen water, en op dat de vooren, regt op en neederwaarts gaande, bij swaare regenen, en waterval niet te diep uijtspoelen, en land, mist, en koorn niet wegdrijven of verdrinken.

Wanneer de voogels sterk op ’t besaaijde land vallen, en ’t koorn wegeeten, word wel somtijds ’t land eerst besaaijt, en dan aan­stonds onder ploeg en egge gebragt.

Oranje boomen schurf geworden, moet men so de stam schurf is, deselve tot de grond toe afkappen, en als de tacken alleen schurf sijn, dienen die ook alleen uijtgesneeden, de wortel van de boom moet van d’ aarde ontbloot en de haijrwortels afge­sneeden, met weeke koeijmist 1/2 voet min of meer bedekt, en dan met aarde ’t gat aangevult worden.

Een limoenboom wil vogtige, en geen salpeterige grond hebben. Sie de maand Maart.

JULIJ

Dewijl ’t thans midden in de reegen tijd is, soo kan ’t hier ook wel dapper reegenen, voornaamentlijk als ’t met een Z:O: wind begint, als wanneer ’t wel agt a thien daagen agter een ander reegent. Nu is ’t ook de regte tijd om inlandse en vaderlandse boomen te verplanten, de thuijnen moeten ook besaaijt worden met kool, salade, raapen, en andere moeskruijden.

Oude wijngaart moet in den beginne deeser maand gesnoeijt worden, ook kan men nieuwe wijngaart stocken planten in plaatse van de geene, dewelke uijtgegaan sijn.

Ter halver maand kan men tot haalf augustus orangie, citroenen, en andere diergelijken boomen oculeeren. ­Eijkeboomen geplant groeijen wel.

Appelen, peeren, amandel, persiken, apricosen, vijgen etc. in laag land geplant groeijen wel. Raase boomen geplant groeijen wel.

Blom, savoije, kop en roode kool gesaaijt, item uijgen.

Van een scorpion gestoocken sijnde moet men smeer uijt ’t oor daarop aanstonds 3 a 4 maal vrijwen, indien men geen scorpioon-olij heeft, of dat men den scorpion niet kan vinden, dewelke iemand gestoocken heeft, om hem op de wond dood te wrijwen en te vermorsselen,

De huijsman van sins sijnde om laate gaarst te saaijen, soo heeft hij sijn land daartoe klaar te maaken.

Wijngaart stocken om te planten moeten 14 a 15 duijm lang sijn, en ten minsten 2 a 3 botten hebben, de afgescheurde sijn de beste, men moet se in ’t verband setten, NB in vet land 3, in mooij en swavelagtig land 2 1/2 voet van malkanderen de stocken moeten 2 a 3 duijm booven de grond uijtsteeken, de rijen moogen wel 4 voet of 3 1/2 voet van malkanderen, en niet Z:O: en N:W: gestreckt staan.

’t Is hier gesien, dat een wijngaart stock in Julij geplant in ’t selve jaar druijven voortgebragt heeft en dat soo oude wijn­gaartstocken hebben uijtgeleevert drie leggers goeden rooden wijn, verder is gesien dat een gesnoeijt takje van een appelboom in de grond gestooken binnens jaars geset, ’t jaar daaraan appelen gedraagen heeft.

Soo bij geval een wijngaart uijtgegaan is, moet men geen nieuwen stock in desselfs plaats planten, alsoo hij niet sal voort­koomen, de wijngaart 3 a 4 jaaren oud sijnde, wat deselve wijd en sijd wortelen geschooten hebbende, soo suijgen die al ’t voedsel, en beletten daardoor, dat de versch geplante stock ’t selve ontbeerende verdort, dierhalven moet men van de naaste wijnstock, die laagst en digst aan de grond staat, een rank neemen, en desselfs botten een of een en een half voet naast aan sijn stam afsnoeijen, en hem omtrent sijn begin wat om­draijen, op dat hij niet afscheure, voorts moet men een gereepte diepte van een voet graaven, hem daarin leggen, en hem 3 a 4 vingeren breet uijt de grond met sijn end doen voort­koomen, ter plaatse daar de voorgaande en gestorvene wijn­stock gestaan heeft, en siende dat hij voortkomt, moet men ’s jaars daaraan hem digt aan sijn moerstam half doorsnijden, en hem beginnen te speenen, ’t tweede jaar moet men hem heel afsnijden.

Soo men hebben wil, dat wijnranken langs boomen oploopen, moet men boom en wijnstock te gelijk, en digt bij malkanderen planten, want die de oudste brieven heeft verdrukt altoos de jonge.

AUGUSTUS

Of wel deese maand veel reegen geeft, soo is hij seer dienstig voor de moeskruijden.

In ’t laatste van deselve worden savoije en blomkool, mitsgds: raapen, pieterselie, kervel, kors, geele wortelen etc gesaaijt en kool verplant.

Wijngaart stocken worden ’er geplant.

’t nieuwe land tot wijngaart moet klaar gemaakt, en oude wijn­gaart moet schoon gemaakt worden.

op dammen, slooten en gragten moet gelet worden.

De helfte deeser maand is men beesig met vaderlandse boomen te ertten, hoewel sommige ’t best oordeelen ’t laatst van Sep­tember, omdat alsdan sap en kragt in de boomen is om ’t ent te doen groeijen.

In ’t laatst deeser maand worden hottentots uijntjes bequaam om te eeten.

In ’t middel deeser maand beginnen de amandelen boomen te bloeijen, sijnde d’ eerste der boomen die bloeijen.

sijnde d’ eerste der boomen die bloeijen.

Ten uijteinde deeser maand begint de wijnstock uijt te loopen.

3. augusts wijngaartstock geplant wel

5 do witte, roode en savoije kool gesaaijt wel.

8 do spekboomen in nieuw land wel.

15 do kool verplant wel, wortelen item.

1:23:25 do appelen, peeren, amandel, en vijgen boomen ver­plant.

7 do Coejaves boomen verplant wel

10:11:12 do orangie boomen g’oculeert wel

13 do Coejaves, Chinese vijgen, en soete appelen gesaaijt

14 do Caturus gesaaijt

16 do Nipt of kattekruijd, pieterselie, pimpernel, biestlook, suring, afrikaanse anijswortelen verplant dragen wel.

18 do Saatkool verplant, item artischocken.

19 do geele, witte, bietwortelen tot saad verplant.

21 do kervel, thuijnkors, pieterselie gesaaijt wel.

bulkalveren drie a vier daagen out, soo als de jonge rammen, gelubd, is goed bevonden.

hoenders, gansen, en enten worden om te broeijen geset.

8:13:17 do garst gesaaijt wel.

Nederlandse boomen geent wel bevonden.

Recept om een kudde van 300 schurfde schaapen te geneesen, soo neemt.

2 a 3 mengelen teer 1 loot swavel.

1 a 2 loot vijlsel van kooper.

8 loot van een paar gebrande vaderlandse schoenen. ­1 1/2 loot quicksilver.

dit onder malkanderen gemengt en gekookt in een ijsere pot een half uur lang in de opene lugt uijt vreese voor brand of besmettinge, wel geroert, en aanstonds de schaapen, die schurft sijn, aan de neuse, agter de ooren en in alle de leeden met een quast van oude vodden tweemaal ’s weeks gesmeert, en sulx tot 3 a 4 maal toe, soo sijn se geneesen.

’t eerste jaar moeten de ooijen niet aanteelen, en de lammers, dewelke se binnen ’s jaars koomen te werpen, moet men de keel afsnijden, op dat de ooijen door ’t opbrengen der lammers niet verswacken, en dat se kragten moogen krijgen en gelijksaam nieuw vlees setten etc.

NB men meent dat de schurfthijd der schaapen voortkomt, om dat sij niet wel behavent nog gestalt sijn geworden.

SEPTEMBER

Deese maand begint ’t weederom door te breeken, dan daar valt soo nu en dan reegen.

de kool dient verplant, garabonsos en andere indische saat word in ’t laast deeser maand gesaaijt.

Sie de volgende maand.

Patattos worden in de grond gelegt.

men begint wortelen, raapen, kool, en beetwortelen tot saad te verplanten.

Ecatia of doompitten gesaaijt wel gelukt.

­kool op hoog land verplant wel gelukt.

Nataals koom gesaaijt.

africaanse amandels in Julio gelegt beginnen op te kommen.

Look geplant, ook wel in Julio geplant goed bevonden.

asparges gelegt.

wijngaart geplant.

Coejavels gesaaijt, mitsgds: uijen, garabonsos, Chingilies wortelen tot saat verplant.

NB alle gewassen meerendeels dienen hoe verder in ’t jaar hoe beeter verplant, etc.

africaanse wilde asparges uijtgegraaven, en in een nieuwe grond gelegt in mist wel een voet hoog met de spits na beneeden slaagen wel.

Neemt eenige groene schillen van turkische boonen, legtse, sonder de boontjes, in de son, gedroogt sijnde, verbrand se, drinkt van deselve asche een dag ’s morgens in een glas met wijn den laatste dag van d’ oude, en de twee aanvolgende dagen van de nieuwe maand, een goede hulpmiddel teegens het graveel.

OCTOBER

In ’t begin van deese maand reegent ’t nog somtijds, en de Z:O: en N:W: winden verpoosen malkanderen, sulx dat men moet maaken sijn thuijn thans besaaijt te hebben.

de wijngaart moet schoon gehouden worden, en ingeval hij al te geijl groeijt kan men hem toppen.

kool geplant, terra nataals koorn gesaaijt, boonen en erweeten in de aarde gelijt, waterlimoenen en pompoenen gelegt, paarde­boonen, wieken, Ceylons saat gesaaijt, turkse boonen gelegt, spenagie, blom en krul kool, pieterselie, suijkerwortelen, agurkjes, beet, raapen, madagascarse boontjes, Zijst, Cala­bassen, gingilie gesaaijt, alles wel bevonden.

In deese maand moet de huijsman voorraad van brandhout op­doen, om in de oogsttijd te branden, want ’t alsdan druk werk voor menschen en beesten is, moetende ’t koorn gesneeden, bij huijs gereeden, door ossen of paarden uijtgetreeden, en na de Caab gebragt worden etc. Thans overdringt ’t werk den huijsman.

’t koorn moet gewiet worden.

NB moerpatattos moeten bewaart worden in een hoop aarde omtrent drie voeten hoog in de forme van een zuikerbrood opgeworpen, in welkers kruijn men die patattos weglijd wel met aarde bedekt, om se ter behoorlijker tijd uijt te neemen, en te leggen in vogtige grond, dewelke sandig en swart is, hoe vetter en meerder gemist, hoe beeter.

de patattosrank een vadem lang in een ronde krans 4 a 5 duijm diameeters en door malkanderen gevlogten in de grond gelegt met een endje van 2 a 4 duijm uijt de grond, komt wel voort, en draagt beeter als moerpatattos, en mag wel 1/2 voet van malkanderen leggen, dan eenige sijn van contrarie gevoelen.

NOVEMBER

Thans begint de Z:O: wind,alleen de meester te speelen, over sulx heeft men wijnig of geen reegen.

rispen en sprinkhaanen doen aan ’t gewasse en boomen groote schade.

’t koolland moet klaar gemaakt, en de kool daarin geplant worden.

blomkool saad woord thans gesaaijt, en wil goede vette, en drooge grond hebben.

De wijngaart dient gevisiteert en gade geslaagen, en desselfs laage ranken, soo met druijven sijn, opgebonden. ­Ceijlonse bollen in de grand gelegt wel.

terra de nataals koorn verplant wel.

Meloenen en pompoenen etc. gelegt.

beetwortelensaat moet thans gesaaijt worden in ’t afgaan van de maan, op dat se niet schieten.

Cellerie en Endivie insgelijks, in ’t wassen en bij volle maan is soo goed niet, om datse alsdan eer schieten.

boereboonen moeten thans in de grond gepoot werden, en om veel stammen te hebben, moet men se op sijn kant een halve voet van malkanderen en de reegels drie voeten van elkanderen legged, en ’t punt van de boon moet om hoogleggen, en 1 1/2 duijm in de grond.

NB ’t land tot de moeskruijden dient bij ’t wassen van de maan omgespit, ende bij ’t afgaan besaaijt te werden, om dat middeler­wijl ’t onkruijt sterft.

Men steekt thans de velden in brand.

DECEMBER

Deese maand verscheelt wijnig omtrent ’t weer van der laatst voorgaande, maar wel omtrent de hitte.

In geval ’t reegent kan men garabonsos leggen, doordien de rispen, de welke deese vrugt seer schadelijk sijn, beginnen te verdwijnen.

kool word meede geplant.

Vaderlandse boomen worden geoculeert, te weeten orangie, Citronen, appelen, peeren, persiken, pruijmen, etc.

Turkse rijpe boonen worden ingesaamelt.

kool, raapen, wortelen etc tot saad verplant worden rijp.

wijngaart moet men suijveren.

meloenen, pompoenen, etc gelegt.

granaatboomen geoculeert.

Curcoma geplant wel.

NB van geswavelde wijn kan men geen starken asijn maaken.

de bloesem van de druijf op een vel papier of iets anders sagtjes van de jonge trossen afgeslaagen, of afgescheurt, en wel bewaart ten tijde toe, dat de wijn geperst is en gewerkt heeft, en alsdan in ’t vat gedaan geeft goede smaak en geur aan de wijn.

Een bakoven moet met klij en met geen kalk gemetselt worden, dewijl klij langer dan kalk ’t vuur weederstaat, als de steenen van ’t verwulfsel des bakovens beginnen wit te worden, dan is ’t tijd om ’t gekneede broot daarinne te doen.

de wortel van dotter schoon gewassen, en desselfs buijtenste bast in klijne stukjes gesneeden en die in een pot met een kanne water, en soveel wijn gedaan, en te saamen tot 3/4 gekookt, en daarvan ’s morgens een wijn roemer vol gedronken, beneemt de watersugt.

De hals van een distillierkeetel houdende die meer dan een legger nat, gestooken in ’t sponsgat van een vuijle legger, ’t sij dat hij met olij, spek, gesoute vlees of ander diergelijken goed gevult is geweest, soo sal ’t water overgehaalt in gesijde legger, mits dat hij goed en hegt sijn, alle vuijlijkhijd daar uijt trecken, ’t welke na dat men ’t heeft laaten uijt loopen, kan men den legger ten overvloet nogmaals met schoon warm water afspoelen, etc.

om goeden tontel te maaken moet men ’t linnen eerst wasschen, daarna in spaanse seep nat doorspoelen, en sonder ’t uijt te wringen in de son te droogen hangen, daarna branden en uijtdooven, etc.

Neemt een eijser vuurschop, maakt die gloeijend, doet daarop een handvol poeijer suijker, laat die gesmolten sijnde daarvan afloopen, neemt daarvan ’s morgens, overdag, en ’s avond iets in, gij sult u verkout sijnde, daarbij wel bevinden.

In deese maand werd de tarwe gewiet, en rogge, mitsgds: de drave daaruijt geworpen, en verders gesuijvert.

De rogge in ’t begin van deese maand rijp.

de tarwe werd in ’t laatst deeser maand gesneeden; ­de velden dienen noodsaakelijk gebrand te worden.

de bladeren van hisinus of palma Christi met de buijtenste kant gelegt op sweeren of bloetvinnen trecken, en met de binnenste kant gelegt op een wond geneesen; de olij van ’t saad gedaan op lamme, stijve, en verminkte leeden geneest, en versagt, 5 a 6 korlen van ’t saad ingenoomen purgeert.

Om een bakooven wel te maaken, dient in agt genoomen te worden, dat sijnde hij groot van een mudde meel, hij drie duijmen agter hooger dan van vooren sijn, om hem naar behooren heet te maaken, om dat de vlamme plaats heeft om te speelen, en de billen van de oven moeten rond op gevult worden, op dat ’t formeel na de mond afdragende sij, en hoe langer en grooter d’ oven is, hoe hooger hij ook agter moet sijn, soo dat een oven van twee mudden wel vijf duijmen hoger van agteren dan van vooren na de mond mag weesen.

3. WOORDESKAT

apricosen

Afr. appelkoos s.nw.

Geurige, suurderige steenvrug, oranjekleurig wanneer ryp.

Uit gewestelike Ndl. appelkoos, en lg. uit Ndl. abrikoos (in die 17de eeu o.a. ook apperkoos, aprikoos). Volgens Mansvelt (1884) is appelkoos die skrifvorm wat die alg. uitspraak weergee; volgens Pannevis (1880) ook appekoos (EWA).

biestlook

Ndl. Benaming voor het plantengeslacht Allium uit de familie der Liliaceae, in 't bijzonder voor enkele soorten, als het knoflook, A. sativum (zoo nog thans in Z.-Nederl.), en het bieslook, A. Schoenoprasum (in Gron.); daar van een paar soorten de bol of de bolletjes voor verschillende doeleinden worden gebruikt (zie beneden), wordt look ook meer bepaaldelijk gebezigd als naam voor die bollen, in de eerste plaats die van het knoflook (WNT).

Afr. Nie as samestelling bekend nie; wel:

bies > Afr. biesie

Benaming van ’n aantal plante gebruik vir vlegwerk.

bietwortel

Ndl. Een thans minder gewone vorm dan beetwortel. Beide woorden kunnen zoowel de roode als de gele beet aanduiden, maar beetwortel is thans nagenoeg alleen voor de laatstgenoemde in gebruik. Thans komt bietwortel weinig voor (WNT).

Afr. beet

’n Plant met ’n kragtig ontwikkelde, vlesige wortel, hoofsaaklik gebruik vir slaai en om suiker daaruit te verkry; Beta vulgaris. Soms ook genoem beetwortel en biet.

curcuma

Ndl. Intens-gele wortel van het gewas curcuma longa waaruit een verfstof wordt verkregen, en die ook gebruikt wordt bij het bereiden van medicijn, kerrie en boreh. De Compagnie duidde de wortel meest aan als Indische saffraan of geelwortel. Maleis kunjit [ook: corcomme, crocus, geelwortel, kunjit, manjela (Tamil), saffraan (Indische –)] (VOC-glossarium).

hottentots uijntje

Afr. Naam in ou geskrifte, onder andere in die geskrifte van ’n reis van kommissaris Cnoll in 1710, vir ’n plant wat vandag nie met sekerheid vasgestel kan word nie en wat volgens Cnoll ’n droë, eetbare uintjie het met die gedaante van ’n groot Javaanse ui (WAT).

jonquille bollen

Ndl. Benaming voor de Gele Narcis (bloem en plant), Narcissus Jonquilla L. || Van de Jonquillen, oft Geele Narcissen met biesachtige bladeren, Dodon (WNT).

Afr. jonkwil, sien sonkieltjie (WAT).

Afr. sonkieltjie Geel narsing (HAT).

meloen

Mnl. Benaming van een gewas dat hier te lande wordt gekweekt, Cucumis Melo (behoorende tot de Cucurbitaceae); ook de vrucht heet zoo. Verg. Hehn. || De Meloenen cruypen langs der eerden gelijck de Concommeren, Dodon (WNT). Vergelyk Eng. melon.

Afr. spanspek

moeskruijd

Ndl. Een kruid, een gewas, dat als groente of toespijs gegeten wordt. || Moeskruid, olus, holus et beta, Kil. (WNT).

Afr. Woord onbekend.

nipt of kattekruijd

Ndl. Naam van een plant, anders kattenkruid geheeten, behoorende tot de Familie der Lipbloemen: lat. Nepeta Cataria (Oudemans, Flora2 2, 465). || Nipte. Poliot sauuage, herbe au chat, nepita, pulegium siluestre, Plant. — In onse tijden heeft dit gewas den naem van Catte-cruyt gecregen. ... De Nederlanders (noement) Cattecruyt: maer de Vlamingen heetent Nepte, Dodon (WNT).

Afr. kattekruid. Aromatiese plant met geel- of rooiagtige wit blomme en rooi vlekke op die blomkroon, as geneesmiddel teen borsaandoeninge gebruik; Nepeta Cataria (HAT).

patattos

Ndl. pataat, mv. pataten; daarnaast patat, mv. patatten, en andere vormen. Bijvorm van Batate, en evenals dit ontleend aan sp. batata of. patata, een woord van Amerikaanschen oorsprong. Ndl. Eertijds ook patattes, pataddes, dat ofschoon eigenlijk het mv. van het uitheemsche woord als enkelv. werd opgevat.

Zeker knolgewas in warme streken, dat eenigszins op den gewonen aardappel gelijkt, ook zoete aardappel genoemd; Convolvulus batatas L. of Batatas edulis Choisy. || Santachtige aerde recht bequaem wesende tot raepen en pattatissen etc., V. Riebeek, Dagverh. 1, 223 (WNT).

Afr. patat

persiken

Ndl. perzik, znw. m. en vr., mv. -en. Mnl. perseke, persike, naast persec (in de samenst. persecboom). Evenals mnd. persik, mhd. pfërsich, hd. pfirsich, ags. përsoc, ontstaan uit lat. persicum en laatlat. persica, de Perzische (vrucht), perzik. De ontleening moet blijkens de Duitsche vormen oud zijn. De middeleeuwsch Vlaamsche vorm van het woord: perseker, persker (zie Verdam) is nog niet met zekerheid verklaard, maar zal wel een ned. vervorming zijn. Uit perseke is ontstaan perske, dat nog in Z.-Afrika de gewone vorm van het woord is (naast het meer platte perskie, sperskie; zie Mansvelt 125 en Le Roux, Klankl. 26).

Afr. perske

Uit gewestelike Ndl. perseke (al Mnl.) (EWA).

pimpernel

Ndl. Als benaming voor het plantengeslacht Pimpinella L. (Heukels, Volksn. 183) en van de beide soorten Pimpinella magna L. (groote pimpernel) en Pimpinella Saxifraga L. (kleine pimpernel). Ook Bevernel genoemd. De wortel dient als geneesmiddel (WNT).

Afr. pimpernel

Kleinerige plantjie, dikwels in koringlande aangetref; Anagallis arvensis (HAT).

pooten (ww.)

Ndl. poten (ww.). Van (jonge) planten of stekken, bollen, knollen, wortels en groote zaden: ze in den grond (in aarde of zand) steken en vastzetten, zoodat ze wortel kunnen schieten. Nog thans de gewone en algemeen bekende beteekenis.

Ndl. poot (s.nw.). Blijkbaar zijn ze inzonderheid Vl.-Belgisch.

1) Stek, loot, spruit, tak, die in den grond wordt gezet, om hem wortels te doen schieten en tot een boom te laten uitgroeien. Inzonderheid loot van een wilg, els of populier (WNT).

Afr. Woord in hierdie betekenis onbekend.

queen, queepeeren

Ndl. kwee. Benaming voor een tot de familie der Pomaceae behoorenden boom, Cydonia vulgaris, die de onder 1) genoemde vruchten oplevert, en hier te lande gekweekt voorkomt. || 70 Hollantse vruchtboomen, te weten: 3 ockernooten 6 queen 5 appel 2 peeren enz., V. Riebeek, Dagverh. 3, 625.

Afr. kweper

rammenas

Ndl. 1) Benaming voor zeker knoldragend gewas, dat een variëteit van de Radijs (Raphanus sativus L.) is, met grootere knollen die meestal zwart van kleur zijn.

2) Knol van het onder 1) bedoelde gewas, als gerecht (toespijs) gewoonlijk rauw genuttigd (WNT).

Afr. ramenas

1. Knolradys; peperwortel 2. Aalwynagtige plant met rooi blomme (HAT).

savoije kool

Ndl. savoyekool, znw. Waarschijnlijk ontleend aan hd. Savoyerkohl, naar fr. chou de Savoye. Als verkorte vorm komt ook voor Savooitje en in Z.-Ndl. savooi. Sluitkool met dunne gefronste bladeren (WNT).

Afr. savojekool. Savoje afkomstig van pleknaam.

scheepel

Ndl. Een maat voor droge waren. — Het vierde deel van een mud en dus naar gelang der mudden verschillend. || Mits betaelende den Cooper drie stuyvers voor 't schepel, V. Riebeek, Dagverh. 3, 23.

Afr. skepel

suring

Afr. suring. Plant met ’n suur smaak, waarvan sommige soorte geëet word, rou of gekook (HAT).

wijngart

Afr. wingerd s.nw.

Landery van druiweplante.

Uit Ndl. wingerd (1846), ’n verkorting van wijngaard (1515). Ndl. wijngaard is ’n samestelling van wijn ‘wyn’ en gaard ‘tuin’, met ander woorde ‘tuin waar wyn verbou word’. Eerste optekening in vroeë Afr. op 6 Junie 1712 in die samestelling wijngaard stokken (Scholtz 1972: 178), waarna in Afr. by Mansvelt (1884).

4. SLOT

Jan van Riebeeck was ’n entoesiastiese tuinier en landbouer wat getrou en met veel voldoening in sy Daghregister verslag gedoen het oor die vordering wat in die Kompanjie se groentetuin en vrugteboorde gemaak word. Op 25 Julie 1661, ongeveer ’n jaar voor sy vertrek na Malakka in die Ooste, skryf hy: “’s Namiddags heeft den Commandeur Riebeeck met sijn huijsvrouw d’ eerste twee lemoenen van een boomtjen in Compagnie’s thuynen staende affgepluckt, sijnde fray geel gecouleurt ende al moy groot”.

In sy Memorie aan sy opvolger Wagenaer meld hy dat hy aantekeninge in sy Caepsen Hoveniers Almanach gemaak het van hoe die Kompantjiestuin bewerk, besaai en beplant moet word en dat hy hierdie Almanach vir Wagenaer se gebruik agterlaat “vermits de langheijt van tijt door meerdere ervaringe beter en beter kennisse van ’t een en ’t ander doet winnen” .

Die omvang van sy werk aan die Kaap het hy geskets in een van sy briewe aan Here XVII toe hy geskryf het dat hy op “6 April op een soo dorre, schrale weijde sonder woonplaets” met 90 mense begin werk het en self as “ingenieur, graver, hovenier, boer, timmerman, metselaar, smith ra.” die leiding moes gee. Uit al sy baie briewe en geskrifte kom duidelik aan die lig die besef dat hy aan die Kaap besig was met ’n taak wat groter was as persoonlike ambisie en dat die werk wat uit liefde gedoen is, nie verlore gaan nie. Dit verleen nuwe betekenis aan Jan van Riebeeck se werk in Afrika.

 

 

 

Bronne

Almanach der Africaansche landbouwers en hoveniers / African gardeners’ and farmers’ almanac. Kaapstad: Suid-Afrikaanse Biblioteek. 1984

Böeseken, A.J. Jan van Riebeeck en sy gesin. Kaapstad: Tafelberg-Uitgewers Beperk. 1974

Daghregister gehouden by den oppercoopman Jan Anthonisz. van Riebeeck. Deel 1-3. Van Riebeeck-vereniging. Kaapstad: A.A. Balkema. 1957

Etimologiewoordeboek van Afrikaans. CD-ROM. Stellenbosch: Buro van die WAT. 2003

Handwoordeboek van die Afrikaanse Taal (HAT), CD-ROM

VOC-glossarium, http://www.tanap.net

Woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT), CD-ROM

Woordeboek van die Afrikaanse Taal (WAT). Stellenbosch: Buro van die WAT


 

Jan van Riebeeck se Daghregister

(14 Des. 1651 – 12 Febr. 1662)

 

1.    INLEIDEND

Die dagregister van Van Riebeeck is ’n onoortroffe bron van allerlei wetenswaardighede in verband met die land en die klimaat, die plante- en die dierelewe en die inheemse bevolking van Suid-Afrika in die 17de eeu. Alle vroeëre gegewens was afkomstig van mense wat hoogstens enige weke aan die onbekende en onherbergsame Kaap vertoef het – met die uitsondering van die skipbreukelinge van die Haerlem wat sowat ’n jaar in hulle sandfort, die "vastigheyt Zandenborgh", deurgebring het. Nou vir die eerste maal kon die wilde gerugte oor die "mensgeneeters" en die ryk binnelandse vorste van Monomotapa en Butua, die verhale oor leeus, olifante, renosters, seekoeie, die verslae oor kuste, eilande, baaie, strome en winde ondersoek en bevestig of ontken word. Vir ondersoekers op allerlei gebied bevat die Daghregister ’n groot massa kosbare gegewens.

 

2.    ENKELE GREPE UIT DIE DAGHREGISTER

DAGHREGISTER gehouden by den oppercoopman Jan Anthonisz. van Riebeeck, vertrocken per de schepen Drommedaris, Reijger ende Goede Hoope voor opperhooft naer Cabo de boä Esperance, in dienst van de Generale Vereenighde Nederlantsche G’octroyeerde Oostindische Comp. uijt Texel, van de Camer Amsterdam.

 

 

DECEMBER <ANNO> 1651

Adij, 14en do., omtrent 2 uijren na den middagh, ongestadigh, buyigh, regenachtigh weder ende de wint westelijck sijnde, is gemelten Riebeeck met sijn familie uijt de stadt Amsterdam vertrocken, hebbende alvooren ten clocke elff uijren sijn laetste affscheijt genomen van de E. Heeren Bewinthebberen soo op de reeckencamer als in het slaghthuijs [wapenhuis, arsenaal] der voorsz. Camere [van Amsterdam] ende quam

den 16en do., in de Balgh [vaargeul tussen Wieringen en Texel] aen ’t schip den Drommedaris aen boort, naedat ’s Maendaeghs te vooren in de volle vergaderinge der welgemelte Heeren Bewinthebberen ter presentie van alle de schippers, Claes Both, Reijnier Egbertsz., Davit de Coninck ende Jan Hooghsaet, sijn demissie [afvaartbevel] hadde becomen ende bevel gecregen om op ’t schip den Drommedaris de vlagge ende ’t commando te voeren over de affgaende schepen, volgens extract van resolutie den 4en December bij hooghgedachte vergaderinge der welgenoemde Heeren Bewinthebberen daerover genomen ende denselven Riebeeck door de gecommitteerde Heeren Bewinthebberen, Rogh ende de lange, in Texel naegesonden ende ter hant gestelt.

APRILIS <ANNO> 1652

Adij, primo ditto, schone Noortwestelijcke wint ende voortgang, cours O. ten Z. ende O.Z.O., smiddaghs met clare sonneschijn goede hooghte becomen hebbende op stijff 34 1/2 gr. suijderbreete, stelden den cours recht oost op de Caep aen. Dit etmael geseijlt O. ten Z. ende O.Z.O. 29 mijlen, de langhte hebbende van 28 1/2 graden.

……

5 do. Smorgens de wint Zuijdelijck, cours oostelijck, waren de schepen Reiger ende Hope (die haer nu weder 2 à 3 dagen vrij te louffwaert op van ons gehouden hebben) omtrent in ’t suijtwesten te windewaert van ons, soo verde [ver] als wij van boven uijt de mars sien conde, waeromme resolveerden nae haer toe te wenden, ende ’t jacht op ons aff te seijnen [sein om na ons te kom] omme hun ordre te senden, ten eijnde wij op ’t laetste niet van den anderen geraecken maer gesamentlijck de Cabo mogen aendoen, omme tegen alle gevijnsde vrunde ofte openbare vijanden (die wij daer mochte vinden) te deffensiver te sijn.

Dit aldus goetgevonden hebbende, loopt de wint heel Suijen ten westen ende Z.Z.W., sulckx dat wij de voornoemde schepen recht dwers te louffwaert van ons cregen ende met geen avantagie nae haer toe costen wenden, sonder dat deselve nochtans evenwel op ons aenquaemen ende dienvolgens gefrustreert bleven [en ons gevolglik verhinder is om] ’t jacht (verde te windewaert van ons sijnde) ten eijnde voormelt bij ons te doen comen.

Smiddaghs had den Schipper goede hooghte op 33 gr. 55 min., langhte 35 1/2 gr.

Omtrent 5 glasen in de namiddaghwacht sagen wij, Gode loff, ’t lant van Cabo de Boä Esperance, namentlijck den Taffelbergh O. ende O. ten Z. omtrent 15 à 16 mijlen van ons, sijnde door den opperstuijrman eerst gesien, die derhalven vier Spaense Realen in spetie [klinkende munt] (op ’t eerste gesicht van do. lant geseth sijnde) vereerden [geskenk het], ende de vlagge lieten waijen met een canon-schoth, tot teijcken dat den Reijger ende Hope (verde te louffwaert op wesende) sulcx bekennen souden.

Savonts hadden 4 1/2 gr. noortwesteringh op de compassen.

Snachts, 2 glasen in de hondewacht uijt sijnde [nadat twee glase in die hondewag leeggeloop het, d.w.s. om een uur in die nag], quamen heel dight onder ’t lant, daer wy ’t alsdoen van affwenden ende noch een vuijr opstaecken off misschien den Reijger ende Hoope van den nacht soo naebij gecomen waren dat sij onse 2 vuijren (sijnde ’t sein van wenden) sien ende vernemen conde.

Soals de hondewacht uijt gingh, vernamen wij den Reijger ende Hope dichte bij ons, ende wendent gesamentlijck nae ’t lant toe.

6 do. Stil weder met weijnigh variable coelte; ende alsoo wij door dese dwarl-winden weynich costen advanceeren, ende vrij dicht onder de wal waren, sonden de sloep met den bouckhouder Adam Hulster ende onderstuijrman Aernt van Jeveren na den steert van de Leeuwenbergh met ordre omme om den hoeck van deselve te gaen inspectie nemen wat ende hoeveel scheepen op de reede in de Taeffelbaij mochte leggen (’twelk gevoechlijck conde geschieden sonder haer eens met de sloep aen de aldaer vindende schepen te verthoonen) opdat wij na becomen advertentie ons ondertussen daertegen ter deffentie ofte offentie mochten prepareren.

Omtrent 2 uijren voor den avont wederom aen boort comende, raporteerden datter geen scheepen lagen. Des wij het lieten voortstaen <sic>, ende Gode loff, nietjegenstaende gemelte stilte, noch met een moij Zuijdelijcke coeltjen (op ’t laetste crijgende), even nae sonondergangh nevens ’t jacht de Goede Hope in de Taeffelbaij voor de versse revier op 5 vadem santgront wel ende salvo ten ancker quamen, sijnde schipper Hooghsaet met den Reijger (zeewaerts gehouden hebbende) buijten gebleven. Willen hopen door Godes Heijlige geleijde morgen tijdelijck behouden bij ons arriveren sal, dat Godt geve. Amen.

Gaven desen avont noch ordre aen onsen schipper, Davith Coninck, omme morgen heel vroegh met een van de schaloepen [sloepe, skeepsbote], nevens 6 g’armeerde soldaten, behalve de roijers [roeiers], vooraff nae lant te varen omme te soecken offer geen brieven van eenighe, alhier aen gewesen, vertrocken schepen begraven waren, ende met eenen wat groente [groenigheid, groen veldplante soos suring, ens.] te halen tot verversinge, alsoo wij nu over de vierdehalff [drie en ’n half] maent in zee geweest sijn sonder eenige versch-plaetse [verversingsplek] aengedaen te hebben, daerdoor ’t volck al vrij veroudert [in slegte gesondheid weens gebrek aan vars kos] is. Bevolen hun oock de zegen mede te nemen om met eenen in der haest een treck off twee te doen tot de versse zoo [kooksel (vangs) vars vis].

In ’t Schip den Drommedaris ter rheede aen Cabo de Boä Esperance

Sondagh, 7 do. Smorgens de wint labberkens uijtten Noortwesten, edoch den ganschen dach meest W.Z.W. met sommige overvalletjens [windbuie, valwinde] uijt den Leeuwenbergh, ende is den schipper Coninck met de sloep ten eijnde voormelt nae lant gevaren. Den dagh <een> weijnich doorgebroocken wesende, sagen wij de fluijt den Reijger uijtter zee de baij incomen, daer Gode loff omtrent ten 8 uijren voormiddaghs bij ons wel ten ancker quam.

Weijnich daernae compt Schipper Coninck met de chaloup wederom, een redelijcke soo vis gevangen hebbende, medebrengende een caske met brieven van den 25en Februarijo passo [vergange, verlede] door den E. Jan van Teijlingen, Commandeur der laetse vertrocken retourvloote [vloot op die terugvaart van Indië na Nederland], gedirigeert, twee aen d’ Ed. Heer Generael ende Raden van India, ende een aen d’ Opperhooffden van de Schepen Prins Willem, Vogelstruijs, Vrede, Orangie, Salmander, Coninck Davit, Lastdrager ende Breda, alhier doen ter tijt noch te verwachten ende, sooveel wij vernemen ende mercken conde, niet aengecomen, maer apparent verbij geraeckt ende nae St. Helena verseijlt, sijnde den gemelten Commandeur (maer 1 koebeest ende 1 schaep becomen hebbende) den 26en Februarij met de schepen Diamant, N. Rotterdam, ende Henriette Louijse, nae 11 dagen leggens mede van de dese rheede die wegh aff [na St. Helena] vertrocken. D’ Almogende geve dat se met den anderen voorspoedigh ende salvo in ’t lieven Vaderlant mogen arriveeren.

……

Desen avont voeren noch samen eens aen lant om terloops een ten naesten bij aff te speculeeren waer ’t fort gemaeckt sal dienen. Cregen desen avont oock 2 wilden aen boort, daer onder een die wat Engels sprack, welcke wij den buijck met eeten ende drincken dapper vulden. Maer na wij uijt haer vernemen conde, souden van haer geen vee te crijgen wesen, also ons door gebroocken Engelse woorden ende teickenen te kennen gaven, sij maer vissers waren, ende de beesten door die van Saldania [die Khoi van Saldanhabaai] altijt gebracht wierden; sulcx wij wel meer uijt eenige overgebleven personen van ’t schip Haerlem verstaen hadden.

8en do. Smorgens haddet den ganschen dagh vrij hardt gewaijt uijtten Z.Z.oosten, continueerde tot omtrent smiddaghs met clare heldere sonneschijn. Schijnt jegenwoordigh in de drooge tijt te wesen, alsoo de gronden overal van drooghte op ’t lant van den anderen gereten sijn [uitmekaar geskeur], ende veel spruijtjens van revierkens heel droogh bevinden.

Op dato lieten den Raedt beroepen omme met deselve goet overlegh te maecken tot ons aen te vangen werck der fortificatie, etc., waertoe gisteren ten naesten bij plaetse uijtgesien hebben; verstaen is vandage eens nader te gaen speculeren [kyk, beskou, ondersoek] ende aff te meten, off oock groot ende bequaem genoegch sal wesen, gelijck wij, uijt onse raedts-plegingh gescheiden sijnde, oock gedaen ende de plaetse bequaem ende groot genoech gevonden hebben, dicht aen de principale versse revier die apparent [blykbaar] rontom de grachten van ’t fort sal cunnen geleijt worden. Is wijders op ’t een ende ’t ander soodanige vordere ordre gestelt, als bij resolutie van dato deser in ons resolutieboeck can beooght worden [sien http://www.tanap.net, ‘activities’ > ‘documents’ > ‘Resolutions’ ].

Wesende desen avont noch van den Drommedaris nae lant gesonden om te arbeijden: 50 coppen ende aen boort gebleven tot bewaringe van ’t schip: 36 coppen; van den Reijger aen lant: 39 coppen; ende tot bewaringe van ’t schip: 36 coppen = 89 coppen; van ’t jacht, aen lant: 11 coppen; ende aen boort gebleven: 9 coppen. Somma, van de 3 schepen om aen lant te arbeijden: 100 coppen ende aen boort te blijven tot bewaringe van de schepen ende om de materialen, etc., aen lant te brengen: 81 coppen. Synde samen 181 coppen behalven de officieren, adsistenten, opperbarbiers, etc.

9 do., fraij sonneschijn ende redelijck warm weder. Is het opperhooft Riebeeck smorgens vroegh na lant gevaren, daer het fort desen dach t’ eenemael heeft affgesteecken ende savonts wederom nae boort gevaren, de buijtenste poligonen, ofte des bolwerx uijtterste punthoecken, van den anderen genomen hebbende op 21 roeden rijnlantse mate [Rynlandse maat: ’n roede is 12 voet].

……

Desen dagh sijn die van den Drommedaris ende Reijger doorgaens besigh geweest met materialen, etc. te lossen.

Ende den oppercoopman Riebeeck met ’t vorder affsteecken van den barm [“strook van den beganen grond tusschen den voet van de borstwering en de daarvoor liggende grachten” WNT], etc.

Den 10 do., moij warm weer. Is gemelten Riebeeck smorgens vroegh nae lant gevaren alwaer ’t volck met schoppen, spaden [spitgrawe], picken, howelen, ende cruijwagens heeft beginnen aen ’t werkck te stellen, bevindende d’ eerde soo mul [los] dat qualijck vaste wallen sullen cunnen maecken; ende alhoewel veel crepelbosch tusschen d’ aerde inarbeijden [in die grond inwerk], soo is echter beduchtelijck [te vrees] door harden regen vrij affregenen sal, ten ware wij bequaem lant [grond] vonden tot soden, om van buijten tegen aen te setten, daer wij eerstdaeghs (’t nodiger werck eerst in train [aan die gang] gebracht hebbende) nae uijtsien sullen, hebbende desen dach noch genoech te doen gehadt om gedeelte van de grachten aff te steecken, die aen d’ eene punt in de revier comt te vallen, ende alsoo verhopen rontsom te leijden; item om ’t volck in ordre aen ’t werck te stellen, alsoo seer weijnige daeronder vinden die haer sulcx verstaen [wat daar kennis van het].

……

'T FORT DE GOEDE HOPE

Sleutel by Kaart No. 814 van Rijksarchief, Den Haag

 

 

Sleutel

a1    Monogram V.O.C.: ’t Fort de Goede Hope

a    Punt Drommedaris

b    Punt Walvis

c    Punt Oliphant

d    Punt Reyger

e    Opgangh na de wal

f    Gracht, droogh sijnde

g    Verse Revier

a    Steenen huys, boven plat, onder met een sael ende kelder

b    Opperhooffts-comptoir

c    Dito slaepkamer

d    Dito kinderkamerken

e    Raet- en eetcamer, daer nu den rijs vooreerst leyt

f    Open plaets

g    Combuys

h    Bottelrije

j    Magasijn ende packhuys

k    Adsistents-comptoir

i    Dito slaepcamerken

m    Sieckentroosters woning

n    Gemeene combuys

o    Open plaets

p    Hoofftwacht

q    Corps du guarde

r    Barbierscamerken

s    Dito hoveniers

t    Project van ’t packhuys

v    Dito wooningh voor matrosen

w    Jegenwoordige cruytkelder, naderhant geprojecteert tot een gevangenhuys

x    Project van een vast ende altijt bleyvende cruytkelder

y    Gangh tusschen ’t huys ende de wal

z    2 secreten onder in de wal

’t Fort de Goede Hope. Rijnlantse mate door thiende delingh gereeckent
Buytenste poligonen offtewel hoecken
22 roeden 6 voeten

 

FORT EN TUINE

Kaart 48, Kaapse Argief (sleutel vertaal en simbole in moderne lettertekens oorgesit)

 

 

Sleutel

V.O.C.-binneplein van die Fort die Goeie Hoop

a    Wonings binne die Fort

b    Vier punte van die Fort

c    Grag

d    Horingwerk voor die Fort

e    Smidshuis

f    Kraal waarin die beeste snags gehou word – ook in die vorm van ’n horingwerk

g    Stalle

h    Riviere met vars water

ij    Kompanjie se tuine, vol vrugte en groente

k    Voorgestelde kompanjiestuine, nog onvoltooi

l    Private tuintjies

m    Tuinier se woonhuis

n    Hoenderhok

o    Voorgestelde vywer vir ganse en eende

p    Boerderywerf

q    Seestrand

r    Miskuil

(Uit: Daghregister. Deel 1, 1651-1655. Van Riebeeck-Vereniging. Kaapstad: A.A. Balkema, 1952)

 

3.    ENKELE SLOTGEDAGTES

Bij het vertrek van Van Riebeeck in 1662 was Hollands Zuid-Afrika reeds een levende werkelijkheid, zij het ook in miniatuur. Er was een kleine volksplanting van Nederlandse, meer in ’t bizonder Hollandse, allure. De omvangrijke administratie der kolonie geschiedde in het Hollands en de journalen der ontdekkingsreizen werden gevoerd in een taal, die een Zuidhollandse kleur verraadt. Wie zich in Van Riebeeck's Dagverhaal, in de vele in- en uitgaande stukken, de reisjournalen enz. heeft verdiept, word vervuld van diep ontzag voor dit handjevol Hollanders dat een dergelijk cultureel werk op een der knooppunten van het wereldverkeer in zo korte tijd heeft kunnen verrichten. Immers zelfs in 1664 kan het aantal echte "Hollanders" een getal van 70 nog niet te veel te boven zijn gegaan. Ten dele is de sterkte positie van het Hollands te danken aan het feit, dat ook in het moederland (en niet alleen in de zeven provinciën, maar ook in aansluitende gewesten als gewesten als Oost-Friesland, Bentheim en Kleef) het Hollands de suprematie had boven de andere provinciale dialecten. Van Riebeeck, gesteund door zijn prominente Zuidhollandse helpers, heeft de Hollandse taaltraditie aan de Kaap gevestigd en naar vermogen gehandhaafd.

In de tijd na Van Riebeeck en voor Simon van der Stel heeft het Hollands der jeugd (die opgroeide tussen zoveel vreemdelingen) een Kaapse "draai" gekregen. Mede uit deze (ondanks alles toch nog "Hollandse") kindertaal schijnt het Afrikaans te zijn gegroeid, dat enerzijds wel revolutionair is vereenvoudigd, maar anderzijds toch opvallend conservatieve trekken vertoont. Zijn neiging tot zelfhandhaving deed niet onder voor die van het Hollands. Ook het Afrikaans is van een minderheid uitgegaan, maar het heeft zijn onverzettelijkheid-tegen-de-meerderheid in behouden tot op de huidige dag. Vasthoudend bleef de Afrikaner ook in zijn voortdurende binding met de "deftige" taal van het moederland (Statenbijbel)

Dank zij de onbezweken vitaliteit van het Afrikaans, is toch een onnoemelijke hoeveelheid Hollands en Nederlands taalbezit aan gene zijde van de evenaar bewaard gebleven. En er is geen reden te vrezen, dat het huidige Afrikaans in levenskracht zou achterstaan bij het naar Afrika overgebrachte 17de-eeuwse Hollands.

Toen Van Riebeeck bij zijn vertrek het door hemzelf aangelegde manuscript van zijn "Caepsen hoveniers almanack" aan zijn opvolger overhandigde, kon hij nog geen aandacht hebben voor taalkundige zaailingen. Toch behoren zij tot de teelt van het zaad, dat viel op goede aarde: "ende opgewassen zijnde, bracht het hondertvoudige vrucht voort".

(Uit: G.G. Kloeke. 1950. Herkomst en groei van het Afrikaans. Leiden: Universitaire Pers Leiden)